Website van de Evangelisch Lutherse Gemeente Stadskanaal

Lutherse traditie: de pijlers.

zegel zwaan
  laatste update 14 april 2006............ Home  
 
Een reeks artikelen gemaakt door Susanne Freytag, Alida Groeneveld en Marianne van der Meij-Seinstra gebaseerd op de Brochure: "Lutherse leerstukken" en gepubliceerd in ELKkwartaal.
  • Inleiding
  • Deel 1: Rechtvaardiging en vrijheid
  • Deel 2: Wet en evangelie
  • Deel 3: Twee-rijken leer
  •  
      Inleiding  
     

    Nu de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden landelijk is gefuseerd met de hervormde en gereformeerde partners tot de Protestantse Kerk in Nederland, staat de lutherse traditie opnieuw in de schijnwerpers. Naar aanleiding van het Paasnummer van Elkkwartaal kreeg de redactie een aantal vragen juist over het hoe van de lutherse traditie: Met de nieuwe serie 'Lutherse traditie: de pijlers' hopen we aan deze vragen tegemoet te komen.

    naar:  boven  of naar:   Home
     
      Deel 1: Rechtvaardiging en vrijheid  
     

    Geen mens is in staat zichzelf voor God te rechtvaardigen. Dit is een principieel punt voor de reformatie.
    Het lukt de mens niet uit zichzelf in een ideale relatie met God te leven. Dat dit niet lukt heeft alles met de zonde te maken. Alles wat ons van God verwijdert en op onszelf gericht laat zijn, wordt in de theologie zonde genoemd.
    Zonde is het niet willen antwoorden op de oproep van God; we blijven God dan ons antwoord schuldig. Omdat de mens niet in staat is zichzelf te rechtvaardigen is de mens aangewezen op de genade Gods. Genade betekent een onverdiende vrijspraak.

    Genade.
    Wat betekent dit nu voor de zaak tussen God en mens? Blijven we in dit beeld van de rechtspraak dan heeft de zaak tussen God en de mens een ongekend verloop en een onverwachte uitkomst. Want in deze rechtsgang is God aan de ene kant de aanklager maar tegelijk in Christus ook onze advocaat en plaatsvervanger.
    De rechtszaak eindigt in de vrijspraak van de schuldige, de zondaar wordt vrijgesproken. In de rechtvaardiging door genade gebeuren twee dingen tegelijk: God doet zijn recht gelden, daar wordt niet aan getoornd, en tegelijk wordt door de genade de relatie tussen God en de mens hersteld naar een relatie zoals God die bedoeld heeft. Tevens maakt het 'sola gratia', 'alleen uit genade' duidelijk dat God de handelende is in de rechtvaardiging, en de mens de ontvangende.

    Christus.
    Voor onze rechtvaardiging zijn wij op Christus aangewezen. We zijn gerechtvaardigd vanwege Christus, vanwege hem zijn onze zonden ons vergeven.
    Het is belangrijk te realiseren dat het bij de rechtvaardiging niet om een leer, leerstuk of dogma gaat, dat moet worden aanvaard, maar dat de rechtvaardiging draait om een gebeuren, een bevrijdende ervaring in de relatie tussen God en mens. Dit gebeuren proberen we te omschrijven als een leer of leerstuk. Maar het rechtvaardigende geloof is niet het geloof in de leer van de rechtvaardiging. Want iemand kan geen weet hebben vam de leer van de rechtvaardiging en toch deelhebben aan het rechtvaardigende geloof. Ook andersom geldt dat iemand veel kan weten van de leer van de rechtvaardiging en geen deel hebben aan het rechtvaardigende geloof. Uiteindelijk gaat het niet om de vaktaal van de rechtvaardiging, maar om de zaak waar het in de rechtvaardiging om gaat.

    Calvijn.
    Ook Calvijn ziet de rechtvaardiging als 'de voornaamste pijler, waarop de godsdienst rust'. Maar de lutherse nadruk op de rechtvaardiging alleen wordt in het calvinisme als te eenzijdig op de mens gericht gezien. In de gereformeerde theologie is de rechtvaardiging veel sterker ingebonden tussen aan de ene kant de predestinatie, Gods uitverkiezing, en aan de andere kant de heiliging, het nieuwe leven en handelen vanuit het geloof.

    Ethisch handelen.
    Door de nadruk op de rechtvaardiging door het geloof alleen is lutheranen het verwijt gemaakt het christelijk ethisch handelen, zowel in het publieke domein als in het privé leven, niet zo belangrijk te vinden. Het christelijk moreel handelen heeft echter een typisch lutherse benadering. Het begrip vrijheid heeft in deze aanpak een belangrijke plaats.
    Luther heeft in zijn traktaat Over de vrijheid van een christenmens (1520) de vrijheid centraal gesteld, maar op zo'n manier dat het morele handelen ingesloten wordt. De stelling in het genoemde traktaat luidt: Een Christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan; een Christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan.
    Deze paradox is zó opgebouwd dat het ene onderdeel voorwaarde vormt voor het andere. Dienstbaarheid kan alleen in vrijheid, pas dan heeft dienstbaarheid betekenis en inhoud. Dit betekent concreet dat er geen sprake is van gemakzucht. De lutherse benadering laat zien dat men bevrijd moet worden tot handelen. Dit is in de eerste plaats bevrijd van dwang om enige zelfrechtvaardiging tot stand te brengen.

    Hier wordt het verband tussen ethiek en rechtvaardiging duidelijk: wie voor en door God gerechtvaardigd is, hoeft deze niet nog eens te realiseren via prestaties van wat voor aard dan ook. Op basis van de rechtvaardiging is de mens volledig vrij om zijn (moreel) handelen geheel ten dienste van de naaste te laten komen. Dat wil zeggen de concrete naaste die met alle nood letterlijk voor onze neus staat. Dit handelen aan de ander is per definitie goed, omdat het aan de ander wordt gedaan. De gelovige als dader blijft, in het actieve goede handelen, tegelijkertijd ontvanger. In de goede daden wijst de ontvanger niet naar zichzelf, maar naar Hem in Wie alle goedheid en gerechtigheid besloten zijn. Met andere woorden in de goede daden van de gelovige aan de ander is Christus zichtbaar. Hierin wortelt de lutherse vrees dat het doen van goede werken alleen gebeurt om te voldoen aan de geboden die in de bijbel staan of door kerk of traditie zijn bepaald. De ander is op deze manier volstrekt buiten beeld geraakt. Het criterium voor moreel handelen is gelegen in de ander die in alle concreetheid een beroep op ons doet.
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      Deel 2: Wet en evangelie  
     

    Eén van de belangrijkste ontdekkingen van Maarten Luther - (1483-1546) is het onderscheid tussen wet en evangelie. Voor Luther is de onderscheiding van wet en evangelie primair een methode van bijbeluitleg. Hij is eindeloos bezig geweest met vertalen. Zijn uitleg van bijbelgedeelten, die hij publiceerde, werden steeds voorafgegaan door vertalingen ervan.
    Het Woord van de bijbel is voor Luther in wezen een mondelinge boodschap: ze moet gelezen en verkondigd wor-den. Maar men kan op twee manieren lezen: men kan de lezers tot de tekst brengen of de tekst tot de lezers. Luther deed vooral het laatste, al bleef hij soms, 'als het er erg op aankwam', heel dichtbij de tekst, hij bracht toch de bijbel tot het volk. Zijn bijbelvertaling was in feite tegelijk uitleg.

    Wet.
    Luther denkt bij 'wet' met name aan de tien geboden die hij meestal indeelt naar de twee wetstafelen, waarbij de eerste drie geboden de omgang met God betreffen en het vierde tot en met het tiende gebod handelen over de omgang met de naaste. In de bijzondere wijze waarop hij in de beide catechismussen de geboden behandelt, is heel goed te zien hoe voor hem die twee delen, dus geloof en handelen samenhangen. De uitleg van het eerste gebod in de Kleine Catechismus is een omschrijving van het geloof: God vrezen (eerbied hebben), liefhebben en vertrouwen. Deze woorden komen bij de uitleg van elk volgende gebod terug. In de Grote Catechismus gaat bijna de helft over de tien geboden, ook beginnend met het geloof.

    Aan Luthers invulling van het begrip 'wet' met de tien geboden ligt nog iets belangrijks ten grondslag. Hij was van mening dat Gods wet, en dan met name de Tien Woorden, de mens al vanaf het begin, dus al bij Adam en Eva in het paradijs, in het hart geschreven en bekend was. Daarmee heeft Luther de overtuiging dat de tien geboden in principe de samenvatting en de grondslag vormen van de algemeen-menselijke, zedelijke ordening. Aan de wet in die meer algemene zin zijn zowel de individuele moraal als ook het zedelijk maatschappelijk beginsel verbonden en gebonden, dat wil zeggen ons goede burgerlijke gedrag en handelen is in principe in de wet, - het burgerlijk wetboek - vastgelegd. Luther kent de mens met betrekking tot het burgerlijk gebruik van de wet een vrije wil en een eigen verantwoordelijkheid toe.

    Luthers visie op de zedelijkheid en de rol die de burgerlijke wet daarin speelde daarentegen, was allesbehalve optimistisch. Hierbij speelt Luthers overtuiging, dat de mens fundamenteel zondig is een grote rol. Dit blijkt alleen al uit het feit, dat Luther van mening is, dat de zondige mens de natuurlijke zedenwet helemaal niet meer herkent en daarom ook niet meer kan vervullen. Hier toont zich de eigen betekenis van Mozes' wet, de vastgelegde en verkondigde tien geboden: het is de vorm waarin de zondige mens weer de weg wordt gewezen. Daarom zijn de tien geboden onontbeerlijk en behoren zij ook thuis in de catechismus.

    Hoe onontbeerlijk die basis was en hoe actueel dat was en is, bleek uit het streven van de Nazi-ideologie om de tien geboden te vervangen door de volkswet. Zo leidde ook, tegen al Luthers bedoelingen in, de tegenstelling wet-evangelie, tot een afkeer van het Oude Testament en tenslotte van het Jodendom met alle gevolgen van dien.
    Theologen als D. Bonhoeffer en H.J. Iwand, geïnspireerd door Karl Barth, maar ieder op hun eigen wijze, verzetten zich daartegen.

    Dat wil echter niet zeggen, dat de tien geboden de mens in staat stellen alles te doen wat de wet vraagt. Ze verstrekken kennis van de wet; niét de kracht om aan de wet te voldoen! Hiervoor vormt de zonde een te grote hindernis: hoe een mens zijn best ook doet, het handelen wordt beïnvloed door eigenliefde en egoïsme.

    Paulus en Luther over de wet.
    Paulus en Luther zien het als taak van de wet de mens dieper in de zonde te voeren, èn beiden beschouwen deze taak als een uitwerking van de wetswil van God zelf. Ook de situationele verbanden zijn, ondanks alle verschillen in tijd en context, vergelijkbaar. Paulus' doel was een christendom dat vrij is van de dwang om door het doen van de wet Gods gunst te verdienen. De wet heeft voor hem een heilshistorische betekenis als 'pedagoog' die de mens tot Christus voert (Galaten 3 : 24). Luther worstelde met een door wetticisme bepaalde vroomheid en kerk. Hij zag zich daarom genoodzaakt om op een eigentijdse wijze terug te grijpen op die paulinische wetsopvatting. Met Paulus gaat Luther spreken van een besef van zonde veroorzakende en tot Christus voerende wet náást een van die wet onderscheiden evangelie dat het christen-zijn bepaalt. 'Geestelijk' heeft niets te maken met hoog-intellectueel of diepzinnig of spiritueel verstaansniveau, maar met de bereidheid om zich in het bijbelwoord door de Geest te laten gezeggen.

    Evangelie en wet.
    Tegenover de vermenging van wet en evangelie die Luther met Paulus bestreed, staat het uiteenleggen van beide. Niet als een voor eens en voor altijd uitgemaakte zaak, maar als een voortdurend proces, waarbij je dan met de wet en dan weer met evangelie bezig bent. Luther noemt dit ook een 'simul', een tegelijk van de tijd van de wet en de tijd van de genade, wij leven in beide tijden. Het is voor christenen een leerzame zaak, die een leven lang duurt. Juist aan de onderscheiding van wet en evangelie is duidelijk te maken, dat het christelijk geloof een school is waarin men nooit is uitgeleerd.

    Luther is er dan ook alles aan gelegen dat er een juist onderscheid gemaakt wordt tussen evangelie en wet. Het is duidelijk, dat het bij het onderscheid niet zozeer om een theologische, maar vooral en primair om een existentiële aangelegenheid gaat. Maar het gaat Luther ook om de kerk. Hij had met een kerk van doen gehad, die goddelijke genade en menselijk werk vermengde en daarom geen heilszekerheid meer kon verkondigen en aanbieden, behalve dat het misschien gekocht kon worden door middel van een aflaat.
    Vervolgens had hij het met de zogenaamde Schwärmer te doen die het christelijk leven en wereldomgeving normeerde aan de hand van de wet van God, én daarmee volgens Luther het evangelie verduisterde en de christelijke vrijheid verspeelde.
    Wanneer men evangelie en wet niet goed onderscheidt, vermengt men ze hoe dan ook, en komt men tot een wetsreligie of tot een door wetten gedomineerd christendom. Tegen allerlei pogingen in eigen kring, maar ook bij verwante protestantse groeperingen om de spanning die in deze onderscheiding besloten ligt op te heffen, hebben de lutheranen zich steeds verzet. Vanaf 1537 is er in Wittenberg sprake van een theologische stroming, die zich beijvert voor de afschaffing van de wetsprediking in de kerk.
    Misschien waren de vertegenwoordigers hiervan tot hun pleidooi uitgedaagd door Luthers scherpe onderscheiding tussen wet en evangelie. Géén scheiding, maar onderscheiding. Als in eigen kring onder deze zogenaamde Antinomisten stemmen opgaan om, - nu het evangelie gekomen is en in de protestantse prediking weer volop in de schijnwerpers staat - de wet voor afgeschaft te verklaren, houden andere lutheranen, - met Luther voorop - nadrukkelijk vast aan het handhaven van de wet in de eredienst. En wanneer sommigen van mening zijn, dat het evangelie eigenlijk een nieuw soort wet is, een set van leefregels op een nieuwe religieuze grondslag, wordt eveneens van de kant van Luther en zijn leerlingen daar groot bezwaar tegen gemaakt. Het evangelie is niet uit te leggen in termen van de wet en de wet kan, hoezeer het ook voor de verkondiging van het evangelie onontbeerlijk is, nooit het karakter van het evangelie dragen.

    Samenvattend: centrale belangen.
    Principieel verdedigde Luther twee centrale belangen. Het éne betreft de bevrijdende helderheid van het evangelie, die verloren dreigt te gaan, wanneer die niet meer in een onderscheiden relatie tot de wet staat. Het evangelie wordt dan noodzakelijkerwijze tot wet, en voor Luther betekende dit, dat het leven van de christen onder een 'moeten' wordt geplaatst dat de vrijheid van de christen vernietigt. Het àndere wijst erop, dat wanneer de wetsprediking verdwijnt, het leven, met name ook dat van de christen bedreigd wordt door een wel heel 'vleselijke' zekerheid. Als immers nog steeds zondige mens hebben wij de wet nodig om ons dag in dag uit te wijzen op onze tekortkomingen, en ons daarmee te helpen bij het telkens opnieuw 'worden' van een christen. Zo nieuw, dat je hier al een beetje met de engelen mee mag doen en God vrezen, liefhebben en vertrouwen, in dankbaarheid voor zijn geboden die ons de weg wijzen in vrijheid. En zo komen we weer bij de Kleine Catechismus terug.
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      Deel 3: Twee-rijken leer  
     

    Als er één leerstuk is dat verwarring oproept, is dat de twee-rijkenleer, die dan ook liever de leer der twee regimenten of twee regeerwijzen van God genoemd zou moeten worden. Twee-rijken leer is echter de traditionele term geworden.

    Door de nadruk op de rechtvaardiging door het geloof alleen (zie het zomernummer van Eikkwartaal) is lutheranen wel het verwijt gemaakt het christelijk ethisch handelen, zowel in het publieke domein als in het privéleven, niet zo belangrijk te vinden. Het christelijk moreel handelen heeft echter een typisch lutherse benadering. Het begrip vrijheid heeft in deze aanpak een belangrijke plaats. Luther heeft in zijn traktaat Over de vrijheid van een christenmens (1520) de vrijheid centraal gesteld, maar op zo'n manier dat het morele handelen ingesloten wordt. De stelling in het genoemde traktaat luidt:

    Een Christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan; een Christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan.

    Deze paradox is zó opgebouwd dat het ene deel voorwaarde vormt voor het andere. Dienstbaarheid kan alleen in vrijheid, pas dan heeft dienstbaarheid betekenis en inhoud. Dit betekent concreet dat er geen sprake is van gemakzucht. De lutherse benadering laat zien dat men bevrijd moet worden tot handelen. Dit is in de eerste plaats bevrijd van dwang om enige zelfrechtvaardiging tot stand te brengen. Hier wordt het verband tussen ethiek en rechtvaardiging duidelijk: wie voor en door God gerechtvaardigd is, hoeft deze niet nog eens te realiseren via prestaties van wat voor aard dan ook. Op basis van de rechtvaardiging is de mens volledig vrij om zijn (moreel) handelen geheel ten dienste van de naaste te laten komen. Dat wil zeggen de concrete naaste die met alle nood letterlijk voor onze neus staat. Dit handelen aan de ander is per definitie goed, omdat het aan de ander wordt gedaan. In de goede daden van de gelovige aan de ander is Christus zichtbaar.

    Twee rijken: leer of hulpmiddel?
    De uitdrukking 'twee-rijken leer' in het dagelijks gebruik wekt de suggestie dat het een geheel uitgewerkte theorie is met betrekking tot het handelen van de christen in de samenleving en de staat. Zo heeft Luther er nooit over willen spreken. Voor Luther is de twee-rijken leer een hulp ter oriëntatie voor de gelovige die een verantwoordelijke positie inneemt in de samenleving of een leidende functie bekleedt in de staat. Zo geformuleerd lijkt de twee-rijken leer iets voor de mensen met verantwoordelijkheden en niet iets voor 'de gewone man'. Ook deze indeling is Luther te simpel. Het gaat hem om iedereen: iedereen heeft een roeping, een beroep in de samenleving. Het aansprekend voorbeeld is dat van de bakker. Wat is het beroep, de roeping van de bakker? De bakker hoeft geen christelijke broodjes te bakken, dat kan hij waarschijnlijk niet eens. Wat hem te doen staat, is goede broodjes bakken.

    Luther heeft de tweedeling overgenomen van Augustinus (4e-5e eeuw). Luther denkt theocratischer dan Augustinus: in de staat, zonder kerkelijke bemiddeling, kan God op eigen wijze gediend worden. De vele valse verschijningen van de kerk in de tijd van Luther, de late middeleeuwen, sterken hem in de gedachte van een organisatie op staatkundig vlak. Van de kerk alleen is het niet meer te verwachten. Wat te verwachten zou zijn? Het rijk van God en de realisering ervan.

    Luther werkt een en ander uit in zijn publicatie Aan de christelijke adel van de Duitse natie (1520) waarin hij de christelijke adel grote verantwoordelijkheid toekent in het uitvoeren van dé lutherse reformatie. De wereldlijke overheid heeft een eigen verantwoordelijkheid van God ontvangen, gebruik deze dan ook! Op grond hiervan kan Frederik, de keurvorst van Saksen, Luther beschermen tegen de banuitspraak van de kerk. Dit is een omkering vergeleken met de Middeleeuwen, waarin de geestelijke overheid, de kerk, het voor het zeggen had op alle terreinen van het leven van mensen. Verder vindt Luther dat als de kerk zelf uitblijft zichzelf te vernieuwen dat de adel hierin een taak heeft te doen.

    Het onderscheid van Luther
    Luther maakt een onderscheid tus-sen het eeuwige Godsrijk en het tijdelijke, wereldlijk regiment. Na de heroriëntatie op de door Paulus zo krachtig uitgewerkte gedachte van de rechtvaardiging van de zondige mens is een nieuwe geloofssituatie ontstaan: de kerk bepaalt niet langer het doen en laten van de mens. Hoe kan de reformatorische belijdenis gerealiseerd worden? De goede wer-ken doen dit niet meer, maar wat dan wel? Een en ander is ook verwoord in de Augsburgse Belijdenis (artikelen 4, 6 en 16). Dit betekent dat als in een samenleving bepaalde afspraken gemaakt worden, een christen zich daaraan niet kan onttrekken met als motivatie 'dat het niet christelijk is'. Het meest scherpe voorbeeld is de positie van de beul. Als een samen-leving besluit de doodstraf te hand-haven én uit te voeren, is er iemand nodig die het vonnis moet voltrek-ken. Voor de beul is ook plaats in de kerk. Als we de beul afschilderen als niet-christelijk, moeten we in feite iets in de structuur van onze samen-leving veranderen. Dat is dan ook in vele landen gebeurd: men schafte de doodstraf af en daarbij speelde zeker ook de vraag mee, of je het recht hebt in naam van de justitie een mens met het onmogelijke ambt van beul te belasten. Voor Luther en de lutherse traditie staat voorop - en dat is fundamen-teel - dat God op tweeërlei wijze de zonde bestrijdt. Enerzijds door haar te vergeven aan wie dat in geloof aanvaarden wil; dat is de basisge-dachte van het evangelie, dat in de kerk wordt verkondigd (ook wel aangeduid als het geestelijk rijk, of het rijk 'ter rechter'). Maar anderzijds wordt de zonde ook bestreden door de gevolgen ervan zoveel mogelijk in te dammen door de samenleving en de staat naar elementaire regels van gerechtigheid in te richten en deze desnoods met geweld af te dwingen. In het laatste geval is er sprake van het wereldlijk rijk en het rijk 'ter linker', waarin de overheid haar taak uitoefent als dienares van God, of ze dat laatste nu weten wil of niet. Luther wilde de gelovige helpen on-derscheid te maken tussen het ene en het andere rijk. Misverstand Het laatste zo ongeveer dat Luther ermee bedoelde is dat in de kerk een zondagsmoraal gepredikt wordt, waar men 's maandags niets meer mee weet te beginnen. Laat staan dat hij de gelovige daarmee een alibi zou hebben willen verschaffen om in een ambtelijke functie door de week ge-heel anders te doen dan het op zondag gepredikte evangelie voorschrijft. Het moet eerlijk worden toegegeven dat de lutherse traditie er dikwijls niet in geslaagd is om duidelijk te maken waaruit de eenheid van die beide rijken of regimenten precies bestaat. Het zou helpen als duidelijk wordt dat de verbinding tussen beide regimenten ligt bij God en bij de ander. Er zit meer eenheid in de beide rij-ken of regimenten dan op het eerste gezicht lijkt. Dat betekent dat men uit de twee-rijken leer niet de con-sequentie mag trekken, zoals vaak gebeurt, dat de kerk zich niet met de politiek mag bemoeien. Dat zouden misdadige (en andere) regimes soms wat graag willen, maar daar kan dus geen sprake van zijn: de bijbelse roep om gerechtigheid gaat de hele maat-schappij aan. Huidige politieke en maatschappelijkeverhoudingen Wanneer de twee-rijken-leer wordt omgedacht naar de huidige politieke en maatschappelijke verhoudingen, kan de onderscheiding dienst doen als een oriëntatieschema voor een politieke en maatschappelijke ethiek van lutherse komaf. Op een geheel eigen wijze draagt zij ertoe bij dat het bestaan niet tot een eenvormigheid en daarmee tot totalitarisme wordt gereduceerd. Zij bergt immers het inzicht in zich dat het voor leven en samenleven van groot belang is om onderscheid te maken tussen wat zich met behulp van maatschappelijke instrumenten en politieke middelen laat corrigeren enerzijds en wat zich aan de competentie van mensen ont-trekt en alleen aan God moet worden overgelaten anderzijds. In elk geval heeft de lutherse traditie met het gezichtspunt van het maatschap-pelijk en politiek ambt als dienst in het regiment van God 'te linker' een belangrijke bijdrage geleverd aan de emancipatie van het wereldlijke. Er is hiermee een verbinding tussen deze visie op de wereld en de secula-risatie en een onafhankelijke houding ten opzichte van de kerk. De lutherse reformatie heeft een belangrijke bij-drage geleverd aan de emancipatie van het gewone, alledaagse leven ten opzichte van het eeuwenlang voor veel hoger, beter en geestelijke ge-houden leven in dienst van de kerk, dat dan ook het best in afzondering van de wereld (in het klooster) kan worden beleefd. Met die gedachte maakt het lutheranisme korte metten, als het Luther nazegt dat het meisje dat de stoep veegt van evenveel betekenis is voor het rijk van God als de Karthuizer monnik, die zich allerlei geneugten van het bestaan ontzegt. In de nadruk op de principiële ge-lijkwaardigheid van de verschillende 'standen' en op de multi-sociale en zelfs multi-godsdienstige saamhorig-heid als het erom gaat de wereld niet aan de verloedering prijs te geven, maar haar te maken tot een goede leefplek voor allen, ligt een nog nau-welijks aangesproken tegoed van de lutherse traditie. Alida Groeneveld Een en ander is meer uitgebreid na te lezen in de brochure 'Lutherse leerstukken geloofsopvattingen van de lutherse gemeenschap'
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
    Webmaster Ed Donga