Website van de Evangelisch Lutherse Gemeente Stadskanaal

De Geschiedenis van de Gemeente in Stadskanaal

zegel zwaan
  laatste update 17 mei ............ Home  
 
  • Inleiding
  • De eerste Lutherse kring
  • Een zelfstandige gemeente
  • De opbouw van het gemeenteleven
  • Ledenbestand 1859
  • Aantekeningen
  •  
      Inleiding  
     
    BOUWEN, ZINGEN, VIEREN

    de oude pastorie en de kerk met een turfpraam in het kanaal

    De Evangelisch- Lutherse Gemeente Stadskanaal in de 19e eeuw

    E.P. Boon

    Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal, 2000.
    Drs.E.P.Boon is historica. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van de Joodse gemeenschappen in Hoogezand, Sappemeer, Slochteren, Noord- en Zuidbroek voor de Mr. J.H.de Vey Mestdagh Stichting, waarvan zij tevens secretaris is. Ze is lid van de ELG Stadskanaal.

    J.Roossien is na zijn pensionering de geschiedenis van de Kanaalstreek gaan tekenen en schilderen. Voor de ELG Stadskanaal schreef en tekende hij beeldverhalen ter gelegenheid van het gemeentekerstfeest en voor de zondagsschool. Hij is lid van de ELG Stadskanaal.

    Copyright: Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal

    Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, microfilm, internet, of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

    Colofon:
    Lay-out: Ing. E.J.Donga, secretaris kerkenraad ELG Stadskanaal
    Illustraties: J.Roossien
    Druk: Drukkerij Abbes-Hummel, Nieuw-Weerdinge

    ISBN: 90-805827-1-9

    Besteladres: Secretaris.


    VOORWOORD

    Ter gelegenheid van de viering van het 125-jarig bestaan van het Lutherse kerkgebouw te Stadskanaal is dit verhaal over de 19e eeuwse Lutheranen van Stadskanaal geschreven.

    In 2000 wordt de kerk, na eerst in 1966 vergroot te zijn, teruggebracht naar de oorspronkelijke grootte van 1875. Het liturgisch centrum - in 1966 verrezen op de plaats van de oude "leerkamer" - wordt omgebouwd tot een nieuwe kerkenraads-kamer. De oude consistorie, die naast de kerk staat, wordt gesloopt om ruimte te maken voor een hellingbaan die de kerk toegankelijk zal maken voor invaliden. Tevens wordt een invalidentoilet gebouwd.

    Veel van het werk doen de Lutheranen zelf. Dit gebeurt onder leiding van Bart Kamst, hoofduitvoerder van de fa. Geveke en onbezoldigd koster van de Lutherse kerk te Stadskanaal.

    Ten behoeve van het fonds dat voor deze verbouwing in het leven is geroepen wordt dit boekje uitgegeven en verkocht door de Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal.

    De kerkenraad is de leden Els Boon en Jan Roossien dankbaar voor het vele werk dat ze voor dit boekje hebben verricht.

    Tevens dankt de kerkenraad de sponsors, die gezorgd hebben dat de uitgave van dit boekje mogelijk werd, zeer hartelijk. Hun namen vindt u op de achterste bladzijde van het boekje.

    U veel leesplezier toewensend,

    Han Lettinck,
    voorzitter van de kerkenraad van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal, september 2000.
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      De eerste Lutherse kring  
     
    I. DE EERSTE LUTHERSE KRING EN DE EVANGELISCH-LUTHERSE FILIAALGEMEENTE BIJ WILDERVANK-VEENDAM TE STADSKANAAL

    Het allereerste begin van de geschiedenis van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal is in 1838 te traceren, toen Johan Georg Christoph Heinz - afkomstig uit het oosten van Duitsland - zich in Stadskanaal vestigde, zo schreef ds.G.Fafié in zijn artikel over Stadskanaal in de bundel Hoe het Lutherde in Nederland deel 1 1). Hij gebruikte voor dit artikel synodale archieven die enige informatie bevatten over de periode van vòòr 1857, het jaar waarin Stadskanaal een officiële filiaalgemeente van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Wildervank-Veendam werd.
    Ds. Fafié vertelt dat in 1850 een eerste Lutherse kring bijeen kwam, bestaande uit de familie Heinz en enige andere families. De meeste bezoekers van de kring waren glasblazers. Ds.Benit uit Wildervank bediende hen aanvankelijk. Af en toe leidde hij een dienst voor deze Lutheranen in de Doopsgezinde kerk, die daarvoor gehuurd werd. Later kwam de dominee van Wildervank één keer per maand.

    De Kanaalsters wilden graag een zelfstandige gemeente vormen, met een eigen predikant. Daarvoor was eerst een kerkenraad nodig. Die werd in 1857 gevormd uit de "voornaamste" leden. Niet lang daarna, op 9 april van datzelfde jaar, maakte de Koning, die bij dergelijke godsdienstige zaken de touwtjes in handen had, de Stadskanaalster kring tot filiaalgemeente van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Wildervank-Veendam. Op zelfstandigheid moesten de Lutheranen dus nog even wachten, wel was er een status als bijkerk voor de officieuze groep bereikt.

    Tevens kregen ze een eigen voorganger. Proponent J.P.G. Westhoff werd op 8 maart 1857 door de Synodale Commissie te Stadskanaal benoemd 2). Ruim twee maanden later was hij echter alweer vertrokken. J.P.de Meyere nam zijn taak over. Vanaf zijn optreden is het wel en wee van de Stadskanaalster Lutheranen goed te volgen via de administratie die hij op poten zette. Hij bleef anderhalf jaar: op 17 juli 1859 ging hij naar Brielle-Hellevoetsluis.
    In die korte tijd maakte hij een onuitwisbare indruk op de Lutheranen in Stadskanaal en omgeving. Gedurende zijn hele leven onderhielden ze het contact met hem. Soms kwam hij preken (in 1897 werd hij er nog voor uitgenodigd, hij was toen al emeritus) en hij liet zich op de hoogte stellen van de stand van zaken in zijn eerste gemeente die hij zo lief had en van wie hij "in zoo hooge mate de liefde (had) weten te verwerven" 3). In perioden dat de gemeente vacant was werd zijn naam als te beroepen predikant meestal genoemd. In 1869,1881 en 1889 werd hij ook daadwerkelijk beroepen. Hij kwam echter nooit terug en dat was wellicht maar goed ook. Bij zulke hooggespannen verwachtingen kon hij alleen maar tegenvallen.

    De Meyere vertrok uit het ouderlijke huis te Bodegraven en hij kwam na "eene koude en moeijelijke reis" van drie dagen in Stadskanaal aan 4). Daar deed hij intrede op 24 januari 1858. De dienst werd in de Doopsgezinde kerk gehouden voor een "vrij talrijke schare" 5). Een Luthers gezangenboek was aan het kanaal niet aanwezig. Men zong uit de Hervormde bundel.
    De dienst was blijkbaar goed bevallen want de volgende zondag puilde de kerk uit. Niet alle toehoorders konden er in! De Meyere zag het zelf als nieuwsgierigheid naar de nieuwe man van de Lutheranen.

    Toen hij predikant werd ging hij ervan uit dat hij f 600 per jaar zou verdienen. In Stadskanaal werd het maar f 550, waarvan de gemeente zelf slechts f 100 hoefde op te brengen. De rest betaalde de Synodale Commissie, die volgens De Meyere "gewis bijzonder veel prijs stelt op deze gemeente"6).
    Het weerhield de dominee niet van een enthousiaste inzet. Uit het notulenboek van de kerkenraadsvergaderingen, dat hij introduceerde en dat loopt tot en met 12 maart 1902 - een vergadering onder leiding van ds.Scharten - blijkt dat de spetters er bij hem afvlogen: wat een actie, wat een begeestering!

    Allereerst zorgde hij, behalve voor notulen van de kerkenraad, voor een doopboek, een ledenadministratie en een kasboek. De kerkenraad - die toen nog bestond uit de "voornaamste" leden J.H.Kock (logementhouder, bij hem aan huis vergaderde men aanvankelijk), F.Spreen, J.G.Chr.Heinz, C.W.Barthel en J.G.W.ten Berge - liet hij vier keer per jaar vergaderen, altijd op de tweede zondag van de maand.
    In een jaar tijd wist hij het aantal Lutherse zielen van 140 op 216 te brengen, waarvan er in plaats van 52 nu 73 belijdend lid waren. Tevreden constateerde de jonge dominee: "Deze vermeerdering zal gewis voor de Synodale Heeren regt verblijdend zijn geweest. Het toont tenminste dat er bloei en vooruitgang in de gemeente is" 7).

    Wat is een kerkgemeente zonder gebouw? De Meyere zette zich daarom meteen in voor een eigen stek voor zijn gemeente. Op zijn verzoek ging kerkrentmeester Kock uitzien naar een geschikt perceel waar kerk en pastorie gebouwd konden worden. De Synodale Commissie gaf echter tijdens een visitatie te kennen dat men eerst maar eens nuchter moest zien geld te vergaren voor zo'n kerk en pastorie. Dan kon de animo onder de leden geschat worden.

    De nieuwe kerkenraad, die na de dienst van 6 juni 1858 door de mannelijke leden gekozen was en dus de eerste democratisch gekozen kerkenraad was, gaf het goede voorbeeld. De dominee stelde één procent van zijn jaarsalaris ter beschikking, F.Spreen f 25, J.G.Chr.Heinz f 20, J.G.W. ten Berge f 5, J.H.Kock f 60, C.W.Barthel f 25, N.G.Reurich f 2 en A.Th.Heinz f 10. Zo kwam er direct f 152,50 voor kerkenbouw binnen. Een intekenlijst voor leden ging de gemeente rond en men collecteerde in de buurgemeentes. Op Eerste Pinksterdag 1859 werd een officieel "Fonds tot oprigten van kerk en eigene gemeente bij de Ev. Luth. alhier en die van de Nieuw Buinen" ingesteld 8). Hierin zouden de overschotten van de kas en allerlei giften gestort worden. Het geld werd aan de Synodale Commissie gezonden, die het voor de Stadskanaalsters belegde. Er werd voor de kerk gecollecteerd door de kerkenraadsleden in Stadskanaal-Wildervank zowel als in Stadskanaal-Onstwedde en Nieuw Buinen. Dit bracht f 92,17 op. Samen met de batig saldi van 1857 en 1858 kon nog eens f 130 naar het fonds worden gestuurd.

    Toestemming van de burgemeester van de gemeente Onstwedde voor het houden van een kollekte voor de bouw van een kerk en pastorie

    Door een apart fonds te stichten en het ter bewaring aan de Synodale Commissie te geven was er een echte spaarpot ontstaan en kon men makkelijk de verleiding weerstaan om tekorten te dekken uit het kapitaaltje van het bouwfonds.

    Intussen sloot men, heel realistisch, voor nog eens tien jaar een huurcontract met de Doopsgezinden. Eerst betaalde men f 50, later f 75 per jaar. Dominee de Meyere vond de huurverhoging nogal fors, maar hij merkte dat er met de broeders van de Doopsgezinde Gemeente niet over te praten viel. Men accepteerde dit dus noodgedwongen.
    Voor deze prijs kon men op zondagmiddag de kerk benutten en gebruik maken van de consistorie, waar de Lutheranen een eigen kast hadden. De diensten van de kosteres waren bij de huur niet inbegrepen. Voor f 12,50 per jaar zorgde ze, mits de Lutheranen zelf turf leverden, dat de kachel brandde als de Lutheranen de kerk gebruikten en stonden warme stoven voor de dominee, de kerkenraadsleden en de voorzanger klaar.

    De Doopsgezinde kerk

    Ds.de Meyere vond het maar niks dat hij moest werken met een Hervormd Gezang- en Psalmboek. Hij peuterde bij de Synodale Commissie Evangelisch-Lutherse Zangbundels los. Tevens zorgde hij voor een toga met baret, die de gemeente voor f 12 kocht. Twee jaar later zou ds.Engel uit Pekela hem voor f 10 overnemen.

    De Meyeres diensten duurden twee uur en de gemeentezang werd geleid door kerkrentmeester Ten Berge, die het voorzangerswerk er als een liefdewerk bij deed. Af en toe kreeg hij als dank een cadeau.

    Kerkenraadslid Barthel, die meester meubelmaker was, zorgde op verzoek van ds.de Meyere voor een lessenaar en een voetbankje, die de dominee kon gebruiken bij diensten en catechisaties. Ook maakte hij collectebakjes die bij begrafenissen en catechisaties rondgingen. De opbrengst was voor het Armenfonds, dat De Meyere eveneens in het leven riep. Een echte diaconie was dit niet: de gemeente bracht te weinig op om garant te staan voor vaste bedelingen en men vertrouwde zich te weinig om de daarvoor benodigde boekhouding te verzorgen. Het burgerlijk bestuur van de gemeente controleerde elk jaar de boeken van iedere diaconie. De Lutheranen vonden dat een onvrij en zelfs wat bedreigend idee. Ds.van Schouwenburg uit Veendam zag er een reden in om diakenen van de filiaalgemeente Stadskanaal niet in te zegenen. Een diaken moest zelfstandig een diaconie kunnen en willen besturen was zijn mening. Ds.de Meyere was nog geen predikant, hij was proponent. Daarom verrichtte ds.van Schouwenburg zulke inzegeningen en bediende hij de sacramenten in Stadskanaal.

    De catechisaties van De Meyere liepen niet slecht: 110 volwassenen en jongeren kwamen ervoor in aanmerking en 63 kwamen trouw. De dominee stimuleerde de kinderen door bijvoorbeeld de trouwste catechisanten op Tweede Paasdag in de Doopsgezinde consistorie geschenkjes aan te bieden. Het waren boekjes van ds.Loman en één Psalm-en Gezangboek (goud op snee!) werd onder de zes kinderen verloot. De "blije en vergenoegde" uitverkorenen waren: Julius Schrümpf (hij won ook de begeerde bundel), Jensen Voogd, Carel Barthel, Anna Woltmeyer, Alida ten Berge en Grietje Heinz 9).
    Vijf mannen en vijf vrouwen deden op 7 november 1858 als eersten belijdenis in een Lutherse dienst te Stadskanaal. Bij het Heilig Avondmaal dat op 21 november 1858 gevierd werd en onder leiding stond van ds.van Schouwenburg, kwamen er vijftig leden. Steeds kwam er aanwas van nieuwe (doop)leden, al gingen er twee naar de genootschappen van de evangeli-serende Jan de Liefde en Gerdes over.

    De jonge gemeente kreeg zelf ook cadeautjes, naast de forse ondersteuning van de Synodale Commissie. In die eerste twee jaren kreeg ze onder andere drinkglazen van kerkenraadslid Heinz om bij kerkenraadsvergaderingen te gebruiken (het was heet in de zomer van 1858). Kerkenraadslid Barthel schonk de kerkenraad een tabaksdoos. De Evangelisch-Lutherse Gemeente Kampen stuurde een kostbaar tafellaken en een broodbord om bij het Heilig Avondmaal te gebruiken en de Evangelisch-Lutherse Gemeente Bodegraven, waar de dominee vandaan kwam, schonk een wijnkan en een servet dat zowel bij het Heilig Avondmaal als bij de Doop gebruikt kon worden. In 1875, na de ingebruikneming van een eigen kerkgebouw, werden tafellaken en servet vervangen. Ze waren "zeer oud en versleten" 10). Kennelijk gebruikten de Lutheranen van Stadskanaal ze intensief en daarvoor waren ze natuurlijk geschonken.

    Ds.de Meyere deed niet alleen reuze zijn best om de kerk te laten groeien, hij probeerde even geestdriftig de kas te spekken. Hij bedacht het systeem van zitplaatsenverhuur, dat aanvankelijk weinig steun kreeg van de kerkenraadsleden. Later begon men er toch mee en het bleek een aardige bron van inkomsten te vormen. De eerste keer, in januari 1859, verhuurden ze 63 zitplaatsen. De kerk was verdeeld in een mannen- en een vrouwengedeelte. De prijzen voor de verschillende plaatsen liepen van f 0,25 tot f 1,30 per jaar. Eén plaats, vooraan in het vrouwengedeelte, was gratis. Daar kon mevrouw Hoitsema zitten, de echtgenote van de Doopsgezinde dominee, die de Lutherse diensten in haar kerkgebouw placht te bezoeken. De achterste banken werden niet verhuurd om armen er niet van te weerhouden de diensten bij te wonen. Met krijt schreef men de namen van de huurders op de banken. Dat ging de Doopsgezinden echter te ver. Er kwam een brief waarin ze ageerden tegen de plaatsverhuur. Of ze boos waren omdat ze het principieel onjuist vonden om plaatsen in een kerk niet vrij te laten, of omdat ze de krijtaantekeningen op hun banken ergerlijk vonden, is niet duidelijk. Het systeem van verhuur bleef, maar de namen werden van de banken gewist. In 1860, na de intrede van proponent D.J.Andreae maakte kerkenraadslid Barthel losse bordjes met nummers die op de zitplaatsen werden gelegd. De kerkenraad liet verhuurbiljetten drukken die de huurders een bewijs van betaling van hun zitplaatsengeld gaven. Toen ds.Scharten in 1898 de stand van zaken met de kerkenraad doornam, bleek dat Stadskanaal de zitplaatsenverhuur had afgeschaft.

    De proponent die na de geliefde De Meyere aan het kanaal kwam werken, was veel minder begeesterend dan zijn voorganger. Chr.Plaat poetste reeds na ruim drie maanden de plaat: hij verdween naar Harlingen. In dat kwartaal legde hij in het notulenboek alleen de cijfers over 1859 vast: ontvangsten van de kerkenkas waren f 260,97. Er was voor f 250,42½ uitgegeven. Er kon dus een batig saldo van f 10,54½ worden genoteerd.

    Op 5 februari 1860 nam proponent D.J.Andreae zijn plaats in. Ook hij zou maar een half jaartje blijven. In juli vertrok hij naar Bergen op Zoom. In de vacante periode vielen twee zondagen. Beide keren was er een kerkdienst. De ene werd geleid door ds.Hoitsema van de Doopsgezinde Gemeente te Stadskanaal, de andere door de Hervormde ds.Riedel.
    Andreae zette de pogingen om geld te vergaren voor kerkenbouw en gemeente voort, maar hij vond dat ook ten behoeve van de betaling van de predikant geld bijeen gebracht moest worden. Het geringe deel dat Stadskanaal bijdroeg was kennelijk niet goed op te brengen door de gemeente. De burgemeesters van de dorpen Nieuw Buinen, Stadskanaal-Wildervank en Stadskanaal-Onstwedde werden gevraagd om een collectevergunning en zo gingen de kerkenraadsleden weer huis aan huis geld vragen voor de "Luthersen". In de collectebussen bleken veel Belgische centen te zitten, die inmiddels ongeldig waren geworden. Gelukkig kon ondanks deze pech toch f 160 naar het kerkbouwfonds worden overgemaakt.

    In Andreae's tijd werd het eerste Lutherse huwelijk van Stadskanaal ingezegend. Het bruidspaar kwam uit Musselkanaal: Hindrik Stikfort en Annechien Brandewijns huwelijk werd 3 juni 1860 tijdens een gewone zondagse dienst kerkelijk bevestigd.

    Na Andreae trad proponent W.F.Walch aan. Voor zijn komst moest de gemeente het drie zondagen zonder Lutherse dominee stellen. Eén keer preekte de trouwe ds.Hoitsema en één keer ds.Driesman, de Hervormde predikant van Nieuw Buinen. De derde zondag bleef de kerkdeur, bij gebrek aan een voorganger, gesloten.
    Weer kwam er een proponent. Wat was het toch jammer dat zo'n hulpprediker de sacramenten niet mocht bedienen, maar dat daarvoor een tamelijk onbekende dominee moest komen. Kon de Synodale Commissie de heer Walch geen toestemming geven te dopen? De kerkenraad vroeg het de Synodale Commissie, maar er kwam geen antwoord; uit het notulenboek blijkt het althans niet.

    In de jaren 1860 bleef de wens om een zelfstandige gemeente met een eigen kerkgebouw te worden onverminderd groot. De Synodale Commissie was sceptisch. Kon Stadskanaal garant staan voor een predikantssalaris?

    Ds.Walch, die bijna vier jaar bleef, voor hij naar Breda vertrok, zette de schouders er onder. Even opgewekt als ds.de Meyere, maar wel wat omzichtiger en diplomatieker, probeerde hij de wensen van zijn gemeente vervuld te krijgen. Omdat de Synodale Commissie zo afhoudend was ten aanzien van zelfstandigheid en een eigen kerkgebouw, ging hij bij professor Domela Nieuwenhuis informeren hoe Stadskanaal dit het beste aan kon pakken. Wat dacht de hooggeleerde ervan? De professor toonde fantastische daadkracht. Hij zette terstond een advertentie in de Haarlemsche Courant om geld in te zamelen voor kerkenbouw te Stadskanaal. Na aftrek van de advertentiekosten kwam er notabene f 327,60 op binnen! Het was natuurlijk niet genoeg, maar het was de Kanaalsters mooi gratis in de schoot geworpen.

    Domela Nieuwenhuis adviseerde Walch alle Evangelisch-Lutherse Gemeenten van Nederland aan te schrijven en hen te vragen om geld voor het fonds van de Lutherse Gemeente te Stadskanaal. Dat leek de kerkenraad wel wat. Walch was echter behoedzaam. Misschien zou zulk eigenmachtig optreden van de Stadskanaalsters wel geheel verkeerd vallen. Zonder toestemming van de Synodale Commissie wou hij er niet aan beginnen. Omzichtig schreef hij eerst een brief aan de tweede secretaris van de Synodale Commissie, die hij vroeg hoe hij de eerste secretaris om toestemming voor zulke collectes in het land moest vragen. De Wildervankster Lutheranen werd gevraagd hieraan mee te werken, wat ze bereidwillig deden. Er kwam toestemming. De bedelbrieven werden gedrukt en rondgestuurd.

    Intussen liet de kerkenraad het oog vallen op het huis van mevrouw de weduwe van der Linden, wat te koop stond. De Synodale Commissie liet bij een visitatie echter weten het plan om dit te kopen niet goed te keuren. De gemeente moest maar eerst een lap grond van de stad Groningen proberen te krijgen 11). Het plan om in de provincie te collecteren vond wel genade in de ogen van de Synodale Commissieleden, die overigens tijdens deze visitatie namens de predikant van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Delft, ds.Broens, de gemeente Stadskanaal een doopboek cadeau deden. Doodzonde vond de kerkenraad het dat het fraaie huis van de weduwe van der Linden niet aangekocht mocht worden. Maar braaf trachtten de Lutheranen van het kanaal eerst stadsgrond te krijgen. Toen dat niet lukte en het huis met f 375 tot f 3625 in prijs daalde, overwoog het kerkbestuur de Synodale Commissie te overreden alsnog toestemming te geven. Tevens wilden de kerkenraadsleden, als de synodale heren het goed vonden, H.M. Koningin Sophie een verzoekschrift sturen waarin ze haar om een gift vroegen. Ze was uiteindelijk van Lutherse huize. De Synodale Commissie vond het laatste best, maar het huis was te duur. De gemeente mocht het kopen als de prijs verder zakte tot f 3000.

    Later gingen ze toch overstag. Op 22 juni 1863 mocht ds. Walch het huis namens de Synodale Commissie kopen. De Synodale Commissie werd voor fl.3500 eigenaar van het pand! De stad Groningen kreeg door deze verkoop fl.175, het huis stond namelijk op stadsgrond 12).

    De twintigste penning

    Intussen kwam door de bedelbrieven, die op advies van professor Domela Nieuwenhuis verstuurd waren, geld binnen: de Evangelisch-Lutherse Gemeente Amersfoort collecteerde en dit bracht f 100 op en de Evangelisch-Lutherse Gemeente Rotterdam organiseerde een orgelconcert ten behoeve van Stadskanaal, hetwelk f 150 opleverde. Dàt waren opstekers voor Stadskanaal!
    Bij al die bouw- en koopplannen vergat men niet waar het in een kerk om hoort te gaan. Op Eerste Paasdag 1861 werd besloten om de overschotten van het Heilig Avondmaal uit te delen aan behoeftigen, en dat hoefden niet persé mensen van de eigen gemeente te zijn.

    April 1864 vertrok Walch naar Breda. In datzelfde jaar maakte de Synodale Commissie de gemeente los van de Lutherse gemeente van Wildervank-Veendam en kreeg Stadskanaal een zelfstandige status. Dat betekende dat het Rijk voortaan f 400 per jaar aan een predikantssalaris ging bijdragen. Het Amsterdams Liefdefonds gaf f 150 per jaar en de Synodale Commissie f 185. De gemeente zelf werd verplicht f 215 per jaar te betalen. Zo kon er een echte predikant met alle rechten met betrekking tot het bedienen van de sacramenten benoemd worden.


    De pastorie, met de in 1875 gebouwde kerk rechts daarvan.
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      Een zelfstandige gemeente  
     
    II EEN ZELFSTANDIGE GEMEENTE, MAAR GEEN EIGEN KERK

    Ds.Johan Coenraad Manssen jr. uit Groningen werd de eerste dominee van de zelfstandige Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal. Volgens de beroepingsvoorwaarden werd van hem verwacht dat hij elke zondag en op Christelijke feestdagen 's middags preekte en twee keer per jaar het Heilig Avondmaal bediende. Voor hen die geen belijdenis afgelegd hadden moest hij godsdienstonderwijs verzorgen en een ordentelijk huisbezoek werd eveneens van hem verwacht. Pastorie en tuin kreeg hij vrij in het gebruik.

    Erg veel vermeldt het notulenboek niet over deze tijd. Helaas schreef Manssen zeer onduidelijk en de inkt is in de loop van de jaren behoorlijk verbleekt. Dat hij op 22 maart 1868 naar Amersfoort vertrok stemde uw historicus dan ook allerminst droevig.

    Zijn opvolger F.W.Stutterheim bleef drie jaar. In zijn beroepingsbrief stond dat hij in een eventueel eigen kerkgebouw (men huurde nog altijd de kerk van de Doopsgezinden) gevraagd kon worden twee maal per zondag te preken, maar dat hoefde alleen als het in onderling goedvinden besloten werd. In de notulen van 1869 wordt inderdaad over avonddiensten gesproken. Er werden acht petroleumlampen voor aangeschaft. De Doopsgezinden hadden blijkbaar geen verlichting in de kerk. Later zou alleen ds.Scharten nog aan deze beroepingsvoorwaarde voldoen door vanaf oktober 1898 af en toe op woensdagavonden over vrije onderwerpen te preken. Hij begon dan om 19.00 uur. De aanvangstijd die in 2000 te Stadskanaal de "Luthertijd" genoemd wordt - alle avondbijeenkomsten beginnen om 19.30 uur - werd kennelijk later ingevoerd.

    De kerkenraad bemerkte in 1869 dat hij f 50 tekort kwam op het geld dat Stadskanaal zelf voor ds.Stutterheim betalen moest. Bovendien was de pastorie aan een onderhoudsbeurt toe. De Synodale Commissie liet de gemeente namelijk wel de reparaties aan het domineeshuis betalen al was het niet haar eigendom.

    Stutterheim dacht dat leden beter zouden betalen als twee kerkenraadsleden de bijdragen zelf gingen ophalen. Als je op de mensen wachtte, kwamen ze niet. In Stutterheims tijd kwam er inderdaad nogal veel geld binnen. Waren in 1859 de inkomsten nog f 290,97 en bedroegen de uitgaven f 250,42½, in 1869 ontving de kerkenkas f 778,75½ en gaf men f 567,88½ uit, waardoor een batig saldo van f 210,87 geboekt werd. Ook verraste hij zijn gemeente met giften van elders. Toen er actie gevoerd werd voor de aanschaf van de petroleumlampen toverde hij een gave van f 25 uit Den Haag op tafel.

    In zijn tijd werd een echte diaconie gemaakt van de armenkas die De Meyere had ingesteld. Op 1 januari 1871 werd een diaconiereglement opgemaakt.

    Ds.Stutterheim ging in september 1872 naar Middelburg. Zijn opvolger was Sebastiaan Frederik Willem Grebe, die pas op 22 maart 1874 intrede deed. Er was dus een vacante periode van anderhalf jaar, waarin ds.C.W.Pohlmann uit Veendam als consulent optrad. Onder zijn krachtige leiding zakte het kerkenraadswerk in de vacante periode niet in. Hij zou na het vertrek van ds.Grebe dan ook - hij stond toen in Groede - beroepen worden. Men had goede ervaringen met de man, dus waarom zou je dan gaan avonturen met een onbekende. Pohlmann bedankte in 1880 overigens voor het beroep.

    In deze vacante periode voor de komst van ds.Grebe werd de pastorie onder handen genomen. Het zou een nieuwe dominee 't beslist prettiger maken om domicilie te kiezen aan het Stadskanaal. Een grote reparatie à f 349 werd bij een openbare aanbesteding gegund aan Landweer en Somer, houtverkopers te Stadskanaal. Kleine herstelwerkzaamheden die daarna nog gebeuren moesten werden na een openbare aanbesteding overgelaten aan J.H.Ockels voor f 64.
    Pohlmann was op bestuurlijk vlak bekwaam, maar het gewone pastorale gemeentewerk leed onder de vacante periode. Ds.Pohlmann had natuurlijk ook zijn werk in Veendam te doen! De inkomsten daalden hierdoor sterk. Bij de diaconie liep de zaak nog gesmeerd, maar de kerkenkas leed over het jaar 1873 een verlies van f 101,69.

    Gelukkig kwam toen ds.Grebe. De tijden van ds.de Meyere leken weer te herleven. Wat een liefde, wat een inzet voor Stadskanaal! Hij begreep het verlangen van de veenkoloniale pioniers: er moest een eigen kerk komen, een plaats van samenkomst voor de gemeente die men zelf bouwen zou. Grebe schreef geen brieven naar de Synodale Commissie. Ondanks het verlies van 1873 reisde hij naar Amsterdam om daar in de vergadering van de Synodale Commissie het woord te vragen en vurig te pleiten voor de Stadskanaalster bouwplannen. Het lukte! De kerkenraad was sprakeloos en in de notulen schreef ds.Grebe dat zijn bericht "groote blijdschap" verwekte 13).

    Eerst dienden nu centen op tafel te komen. Het tekort moest gedekt worden en het fonds voor kerkenbouw zou op termijn eveneens aangevuld moeten worden. Ze gingen collecteren bij de eigen leden en de Lutherse gemeenten in de provincie Groningen. Heel praktisch zei Grebe dat algemene collectes in de provincie niet haalbaar waren bij gebrek aan collectanten in de kleine gemeente. Hij dacht dat de Lutheranen in Amsterdam- de eeuwige geldleveranciers van Oost- Groningen- wel wilden collecteren 14). Als dat alles nog niet genoeg was om het eerste tekort van de kerkenkas te dekken- f 101,69 was veel geld- kon men misschien via de Synodale Commissie uit het eigen kerkenbouwfonds lenen. Dat was echter niet nodig. De kerkenraadsleden, die gewoonweg verbluft waren door de daadkracht van hun dominee, zeiden meteen f 207 toe. Ds.Grebe wist de financiën snel op orde te krijgen. In 1874 was er een tekort van slechts f 1,78. Voor de kerkenbouw stuurde hij in het voorjaar- diaken de Groot had geen trek in bedeltochten bij de strenge vorst van februari 1875- de kerkenraad langs alle huizen van Stadskanaal en Nieuw Buinen. Hij liet ze tevens het geld innen dat leden beloofd hadden te geven voor een nieuwe kerk, maar wat ze nog steeds in hun zak gehouden hadden.

    In maart 1874 kreeg de kerk de strook grond naast de pastorie door de stad Groningen toegewezen. Voor die tijd had de klapmeester (=brugwachter) van de brug bij de Drouwenermond deze grond gehuurd. Bovendien schonken Burgemeester en Wethouders van de stad fl.600 aan het bouwfonds. Dat gaf moed voor de toekomst.

    Schenking grond en gift voor de kerkbouw door de Burgemeester van de stad Groningen.

    Daarom werd, terwijl er beslist nog niet genoeg geld binnen was, in groot vertrouwen vast een bestek gemaakt door de heer Smit uit Veendam, die hiervoor door ds.Pohlmann naar voren geschoven was. Eigenlijk wilden de Kanaalsters hem niet. Was het niet veel verstandiger om mensen uit het eigen dorp te nemen? Dominee Grebe wilde Smit de opdracht geven. Zo kreeg je geen scheve ogen onder bouwers in Stadskanaal en Wildervank had uiteindelijk ook fors bijgedragen aan de kerk van Stadskanaal.

    Diaken de Groot was aangestoken door Grebes voortvarendheid. Hij had gezien dat de schuur achter de pastorie op instorten stond. Konden ze die niet gelijk in het bestek opnemen? Nee, dat ging ds.Grebe te ver. Hij kon zich best redden zonder schuur. Wel stelde hij voor de leerkamer en de kerk tot één geheel te verbinden "..opdat wanneer de gemeente zich mocht uitbreiden en de kerk te klein zou worden, deze met geringe kosten zou kunnen vergroot worden "15). De meerkosten bedroegen f 900.

    De predikant bemoeide zich actief met de voorbereidingen van de bouw. Hij ging zelfs klinkers, die afgekeurd waren voor de aanleg van de Onstwedderweg, bekijken. Konden die niet voor trasraam gebruikt worden? Het trasraam is het onderste deel van het metselwerk tot even boven het maaiveld. Hiervoor worden harde stenen gebruikt om vochtdoorslag tegen te gaan. Straatklinkers kunnen daarvoor dus gebruikt worden 16). Deze afgekeurde straatstenen waren stukken goedkoper. De Groot zag kennelijk niet veel heil in een dominee die op de bouwmarkt opereerde. Hij merkte wat zuur op dat hij nog goedkopere stenen kon vinden.

    Smit uit Wildervank kwam met de tekening en de kostenbegroting. Hij dacht dat de bouw van kerk en leerkamer f 5720,96 zou gaan kosten. De Stadskanaalsters, inclusief ds. Grebe, leek dat te veel. In hotel Dopper, waar ze vergaderden met Smit en ds.Pohlmann - die het kennelijk aardig vond om bij zulke bouwactiviteiten betrokken te zijn -werd besloten dat het geheel dan maar in een goedkopere uitvoering opgetrokken moest worden. In plaats van de anderhalfsteens muren kwamen er éénsteens muren. Dat scheelde 33000 stenen oftewel f 700 tot f 800 aan bouwkosten. Smit viel overigens De Groot bij: de stenen die voor de Onstwedderweg afgekeurd waren leken ook hem ongeschikt. Kerkenraadslid Barthel, meubelmaker immers, zag de kerk al helemaal voor zich. Hij mijmerde: paneelwerk in de banken, zou dat niet mooi zijn? De opmerking werd genoteerd. Als het niet te duur was zou hij zijn zin krijgen.

    Men had nu haast. Op 15 oktober wilden de kerkenraadsleden de bouw klaar hebben. Ze wilden de kerk namelijk op Hervormingsdag - kon je een geschiktere dag bedenken als Lutheraan?- inwijden. De openbare aanbesteding moest daarom snel plaatsvinden. Er kwamen in het logement van Lucas Dopper tien heren met gezegelde inschrijvingsbiljetten. De elfde persoon kon direct vertrekken: hij kwam met een ongezegelde en onuitgewerkte inschrijving. Zo'n persoon werd niet als mededinger geaccepteerd.

    de inschrijving van L.J.Prummel en J.L.Prummel.

    De laagste inschrijving kwam van L.J.Prummel en J.L.Prummel uit Wildervank, die de klus wilden klaren voor fl.5492. De kerkenraad stuurde de heren de zaal uit en beraadslaagde. Nu zouden het toch weer Wildervanksters worden! Kerkenraadslid Barthel had daar grote moeite mee, maar ds.Grebe zette door. De Lutherse Wildervanksters Smit en ds.Pohlmann werden geraadpleegd en die waren positief over de heren Prummel. Zij kregen daarom op 18 mei 1875 de opdracht de Lutherse kerk en consistorie te bouwen.

    Toen de dominee Smit voor f 2 per dag het opzichterswerk wilde laten doen, werd het de chauvinistische Kanaalsters te gortig. Zij wilden dat Maarten Dik van Stadskanaal gunnen. Zo werd deze timmerman van het eigen dorp de opzichter van de bouw.

    Eind mei werden steenmonsters bij de pastorie afgeleverd. De dominee was enthousiast en nam zijn kerkenraad na afloop van de vergadering, die na de kerkdienst in de consistorie van de Doopsgezinde kerk werd gehouden, mee naar zijn huis om een besluit te nemen over de te gebruiken stenen.

    Een bouw kent altijd zijn tegenslagen. Zo was het ook in Stadskanaal. Op 13 juni kwam de dominee met de onaangename mededeling dat het bestek van achteren te laag was. Er moest twintig centimeter bij, hetgeen f 100 extra zou kosten. Als het niet gebeurde werd de kerk te laag en dat was geen gezicht. De kerkenraad nam de tegenslag gelaten: "beter de f 100 meer uitgeven, dan altijd een kerk zonder voorkomen" 17).

    Naast dit alles ging de fondsenwerving door ds.Grebe onverminderd door. De Geheim Hofraad van Z.K.H.Prins Frederik, een oom van Koning Willem III, meldde in mei 1875 dat de prins fl.100 zou schenken voor de bouw van de kerk.

    Schenking van Z.K.H.Prins Frederik der Nederlanden.

    De aannemers werden in termijnen betaald.

    Ontvangstbewijs deelbetaling

    Ds.Grebe was nogal te spreken over de aannemers. Een bedrag van f 50 dat teveel gerekend was, maar waarvan de kerkenraad geen weet had, hadden ze uit eigen beweging keurig terugbetaald. De kerkenraad was niet tevreden omdat de kerk nog niet klaar was op 31 oktober 1875. De kerk werd op die dag wel ingewijd met een prachtige dienst, waarin ds. Grebe preekte over Psalm 105. (Deze preektekst "Looft den Heer, predikt Zijn naam, maakt Zijn doen bekend onder de volken" staat nog altijd op een in de kerkmuur ingemetselde steen). De kerk was echter niet afgeverfd. Dat gebeurde in november en december zodat de kerk pas op 1 januari 1876 werkelijk in gebruik werd genomen.

    Dat gaf de kerkenraad de gelegenheid om uitgebreid te delibereren over de inrichting van het kerkgebouw. De onovertroffen Barthel leverde dertig stoven. Bovendien schonk hij één collectezakje. De andere kerkenraadsleden gaven samen het andere cadeau aan de gemeente. (In de 19e eeuw werd slechts één keer, in de tijd van ds.Andreae, tijdens de Pinksterdienst, met open schalen gecollecteerd. Waarschijnlijk hoopte men door deze methode meer binnen te krijgen.) Diaken Noack schonk een standaard voor het tinnen doopbekken, waarvoor diaken De Groot zorgde. Die werd tevens belast met de aanschaf van gordijnen en een servet met tafellaken voor het Heilig Avondmaal. De oude waren totaal versleten. Natuurlijk kwamen er een kachel, een lamp en, om mee te beginnen, een half dagwerk blauwe turf, dat kerkenraadslid Spreen leverde 18). Reeds in die eerste twee maanden ergerde ds.Grebe zich aan de zinken zwaan die op het dak gezet was. Deze werd op zijn voorstel vervangen door een rood koperen exemplaar.

    De mooie nieuwe kerk verdiende een goed onderhoud. Voor het eerst benoemden de Lutheranen daarvoor een eigen koster. Men vond dat de best geschikte kandidaat voor dit werk een man of vrouw was die dichtbij de kerk woonde. Zo iemand kon de stoven zonder gevaar van vliegende vonken bij sterke wind met turf vullen en er zou geen warmteverlies zijn bij het vervoer van de stoven van het kostershuis naar de kerk. Klapmeester (brugwachter) Baas woonde pal naast de kerk. Men besloot hem als eerste te vragen voor het kosterschap. De benoemingsbrief werd alvast opgesteld. De koster werd verplicht gesteld om de kerk één keer per jaar goed schoon te maken, wekelijks de vloer te vegen en die met zand te bestrooien. Meegelopen vuil kon makkelijk met het zand verwijderd worden. Deze manier van reinhouden van de houten vloer maakte de kerkgangers nonchalant. Ze spuugden soms op het zand. Pruimtabak was populair in de 19e eeuw en mannen werden in de kerk niet gecorrigeerd door kritische echtgenotes omdat ze in de kerk gescheiden zaten. In 1898 zou het leiden tot het aanslaan van een biljet op de kerkdeur- een beproefde Lutherse methode- waarop de kerkenraad de kerkgangers verzocht het spugen in de kerk te laten. De koster verzorgde het vuur in de stoven en dat hoefde hij niet voor niets te doen. Als hij zelf de turf leverde mocht hij drie cent per stoof vragen van de kerkgangers. Voor het veeg- en schoonmaakwerk kreeg hij f 15 per jaar.

    Het eigen Luthers kerkgebouw
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      De opbouw van het gemeenteleven  
     
    III OPBOUW VAN HET GEMEENTELEVEN

    Het grote doel was bereikt: er stond een Lutherse kerk aan het Stadskanaal, maar spoedig waren er problemen met het bouwwerk. De kerk was anderhalve maand in gebruik en er vielen al voegen uit de muren! De kerkenraad was onverbiddelijk: voor de te late oplevering waren de Prummels niet gekort, nu hielden ze f 25 in. De kerkenraad ging het voegwerk zelf over doen en ook kleine klusjes als herstellen van de stoep van de leerkamer, het maken van een "waterplaats" en het metselen van een schoorsteen in de leerkamer namen de broeders op zich 19).

    Alle energie was in de kerkbouw gaan zitten maar de schuur van de pastorie en de pastorie schreeuwden evenzeer om onderhoud. De schuur moest vervangen worden, de studeerkamer van de predikant was aan nieuw behang toe en een nieuwe zoldering en nieuwe windveren waren voor de pastorie geen overdreven luxe. Na twee jaar kon men het niet langer aanzien. Kon de Synode de schuur niet bekostigen? Ds. Grebe durfde dat aanvankelijk niet te vragen, maar uiteindelijk trok hij de stoute schoenen aan. Tot zijn verbazing stopte de Synodale Commissie de Stadskanaalster gemeente toch nog de helft van de door haar gevraagd f 400 toe en daarboven kwam een renteloos voorschot van f 100. De kerkenraad rekende: de schuur kon in plaats van éénsteens halfsteens gemaakt worden en als het geheel een meter korter werd, scheelde dat kosten. Op 17 september 1877 werd de bouw openbaar aanbesteed in hotel Dopper. H.Franken bouwde de schuur voor f 714,25. Men had in Stadskanaal, met behulp van de subsidie, op f 5,20 na, genoeg opgebracht. Ondanks zijn gloednieuwe schuur vertrok ds.Grebe drie jaar later naar Edam, waar hij in 1876 nog voor bedankt had. In november 1887, zo staat vòòr in het notulenboek, overleed deze geliefde voorganger in Gouda.
    Ruim een jaar was de gemeente vacant. Onder leiding van ds. J.A.Engel uit Pekela, die daar bijna dertig jaar stond, werd het beroepingswerk uitgevoerd 20). Zoals gezegd lonkte men naar ds.Pohlmann, die vroeger consulent was geweest, en naar de oude vertrouwde ds.de Meyere, maar beiden wensten niet terug te keren naar het hoge noorden.

    Het werd daarom Antonie Fetter, die op bijna dezelfde beroepingsvoorwaarden naar Stadskanaal kwam als de andere predikanten. Hij moest, in tegenstelling tot de anderen, zelf opdraaien voor de personele belasting, die mede bepaald werd door het huis waarin iemand woonde. Ds.Fetter verkoos, misschien daarom, in een ander huis te wonen. De pastorie werd verhuurd, wat voor de kerkenkas niet ongunstig was.

    Geld was en bleef echter een probleem voor deze gemeente. Veel leden waren arm en niet altijd even meelevend. Ds.Fetter moest in 1886 constateren "… het gemeenteleven was minder opgewekt", al was er een kern "die met liefde voor de belangen van de gemeente vervuld is" 21).

    Dit beeld toont zich in de gehele 19e eeuwse geschiedenis van de Evangelisch- Lutherse Gemeente Stadskanaal. De ledenregisters geven ons de namen van enkele 19e eeuwse kernfamilies. Deze families waren trouw: ze doopten hun kinderen en die legden later openbaar belijdenis van hun geloof af. Anderen werden, nadat ze een aantal jaren lid geweest waren van de Lutherse gemeente, Hervormd, Gereformeerd of Baptist. Velen ook verhuisden naar andere plaatsen. Er waren veel gemengde huwelijken. Bij huwelijken tussen een mannelijk Hervormd dooplid en een vrouwelijk Luthers dooplid werden de kinderen soms nog wel Luthers gedoopt, maar deze families gingen later dan toch bij de kerk weg. Alleen bij de kernfamilies verhinderde een gemengd huwelijk het Luthers blijven van het gezin niet. De 19e eeuwse kernfamilies waren: Barthel, Boekhoud, Brandsema, Buss, De Groot, Geerken, Heinz, Krützelman, Muller, Meder, Noack, Nitzche, Reurich, Runge, Schrümpf, Spreen, Stikfort (ook wel Stickvo(o)rt genoemd) en Thon 22).

    In verband met de gemengde huwelijken moet ik de familie Buss noemen. Bij het onderzoek naar de Joodse gemeenschap van Stadskanaal, dat ik met de Groninger Lutheraan drs. C.A.van der Berg verrichtte, kwamen we hen al tegen 23). In 1848 trouwden de Lutheraan Hinrich Buss en de Joodse Marrie Kosses in Oude Pekela. Hinrich was toen veertig jaar oud en Marrie eenendertig. Het zal een bewuste keuze geweest zijn, maar het was wel heel bijzonder. Marrie kwam uit een familie die al in de vroege 18e eeuw in Oude Pekela woonde. Veel van haar familieleden trouwden binnen de grote familiestam Kosses. Ook haar generatiegenoten kozen allen Joodse partners. Het huwelijk moet opschudding veroorzaakt hebben. In de 19e eeuw trouwden Joden in Oost-Groningen zelden buiten de eigen groep 24). Marrie Buss- Kosses zou uiteindelijk, toen ze tweeënzeventig jaar was, kosteres worden van de Lutherse kerk in Stadskanaal.

    De Bussen waren en bleven Luthers. Andere Lutheranen werden, zoals gezegd, lid van een andere geloofsgemeenschap. Een gemengd huwelijk was daarvoor niet altijd de reden. De zuigende werking van allerlei evangeliserende predikers in het veen was groot, ook voor Stadskanaalster Lutheranen 25). Diaken Johannes Buss, een zoon van Hinrich en Marrie, maakte zich hier zorgen over. Een veldprediker uit Veendam, Van Petegen geheten, had zijnsinziens te grote invloed op leden die in Stadskanaal-Wildervank (het huidige Stadskanaal Noord) woonden. Ds.Fetter ging, op zijn verzoek, proberen deze leden van hun dwaalwegen af te brengen. Behalve dit ingelaste bezoek op een zondagmiddag na de dienst, bezocht ds.Fetter de leden vaker. Als leden achterstallig waren met de betaling van kerkgeld ging de predikant met een kerkenraadslid naar ze toe. Als dominee kwam maakte dat indruk en dan betaalden de ontrouwe schapen wel weer.

    In Fetters tijd bestond de kerkenraad uit de volgende leden: C.W.Barthel, J.G.Chr.Heinz, K.Noack, G.Boekhoud, A.Runge en bovengenoemde J.Buss.

    Ds.Fetter zou later "na rijp beraad" en "aarzeling" overgaan naar de Hervormde kerk 26). Toch had hij wat we ruim een eeuw later typische Lutherse prioriteiten noemen. De predikant was muzikaal in hart en nieren. Al voor hij naar Stadskanaal kwam had hij in Amsterdam voor de gemeente waar hij beroepen was voor f 85 een orgeltje van fabrikant Allgauer op de kop getikt. Dit betekende het definitieve einde van het optreden van een voorzanger in de Lutherse diensten. Kerst 1881 werd het orgel ingewijd. De gemeente vond het prachtig! Vijf jaar later werd het orgel op een eenvoudige gaanderij geplaatst zodat vanaf Kerst 1886 de orgelklanken over de hoofden van de gelovigen heen parelden. De organist kreeg eerst f 52, later f 40 per jaar.

    Tevens richtten Lutheranen in Fetters tijd een mannenkoor op. Het koor, dat zich later Amicitia noemde, bestond bij de oprichting uit negen Lutheranen en vier Hervomden. De dirigent was de Hervormde C.de Haas. De Lutherse leden waren de heren Boekhoud, Muller, Brandsema, J.Buss, Kok, W. en C.Runge, Meder en Rosenbaum. Het koor zong fantastisch, waardoor er al snel zeven mannen uit andere kerkgenootschappen zich bij de leden voegden. Dit koor had uitstraling! Het eerste optreden had plaats tijdens een interkerkelijke dienst - zulke diensten kwamen in de 19e eeuw zelden voor- die op 10 november 1883 in de Lutherse kerk ter gelegenheid van Luthers geboortedag gehouden werd. Er werden liturgieboekjes uitgedeeld en het ene Lutherlied na het andere klonk door de kerk. Ds.Fetter was verrukt. Hij schreef: ieder was "bij 't heengaan overtuigd, een echt protestantsch feest gevierd te hebben". Een uitvoering in een zaaltje volgde op Tweede Pinksterdag 1884. In augustus zong het koor enkele Lutherse liederen tijdens een Lutherse dienst. "Alles werd welluidend gezongen en diende zeer tot bevordering der stichting" 27).

    Deze muzikale ontwikkelingen bevielen de kerkenraads- leden Heinz en Boekhoud zo goed, dat ze anderen dit moois ook gunden. Toen ds.Walch om een bijdrage voor een orgel in Breda vroeg, vonden ze dat aan het verzoek gehoor gegeven moest worden, al kon de kas zo'n uitgave in wezen niet verdragen.

    Samen met de Hervormden - hij was als het ware Samen op Weg avant la lettre - startte ds.Fetter een zondagsschool in de consistorie van de Hervormden. Samen met zijn collega zorgde hij voor de geestelijke toerusting van de zondags- schooljuffen ("jonge damesonderwijzeressen") 28).

    De toenmalige kosteres hoorde tot een ander kerkgenootschap en dat beviel de kerkenraad niet. Kon er voor deze taak geen gemeentelid gevonden worden? "..want van een luthersche is te wachten dat zij met meer liefde en ijver de betrekking zal waarnemen"29). Waarschijnlijk dacht de kerkenraad dat die het daarom voor minder geld zou doen. De nieuwe kosteres werd Wilkelina Buss-Beekhuis. Ze was drieëndertig jaar oud en echtgenote van Benjamin, een van de zonen van Marrie Buss-Kosses en Hinrich Buss.

    Ds.Fetter vertrok in 1888 naar de Hervormde kerk in Wieringerwaard. In de vacante periode kreeg de kerkenraad het verzoek van de Evangelisch- Lutherse Gemeente Wildervank- Veendam om de beide gemeenten te herenigen. Dan kon men samen een dominee beroepen die recht had op een groter traktement, met andere woorden een dominee die meer ervaring had. Och, Stadskanaal was te beleefd om direct nee te zeggen. De heren H.Runge, J.Buss, G.Boekhoud, J.Heinz, W.Thon en J.F.Geerken wilden wel praten met de buurgemeente, maar ze zagen bar weinig heil in een samenvoeging van de beide gemeentes. Het is dan ook niet gebeurd.

    In 1889 trad ds.Aeilt Arend Beudeker aan. Hij zou tot 1897 blijven.

    Het kosterschap werd de jong mevrouw Buss te veel. Ze liet het in 1889 aan haar oude schoonmoeder over, de weduwe Marrie Buss-Kosses. Met de kosteressen die voor haar in dienst waren geweest was gesukkeld. De taakomschrijving voor mevrouw Buss sr. was daarom strenger en de beloning was f 5 lager: ze kreeg f 20 per jaar en drie cent per stoof, maar de kerkenraad eiste voor zichzelf gratis stoven op. De kerkenraad leverde haar het strooizand, maar ze moest zelf voor stoofturf en poetsgoed zorgen. Minstens een uur voor de dienst begon werd van haar verwacht dat ze de kachel aanmaakte, anders was het tijdens de dienst niet warm genoeg. Hetzelfde gold voor de kachel in de leerkamer als die gebruikt werd. De kerk hoorde ze elke week te vegen, twee keer per jaar te ontdoen van spinrag en geheel uit te stoffen. Een keer per jaar was binnen en buiten een grote schoonmaak verplicht. Het was te verwachten dat de oude vrouw al dat werk niet aankon. Een jaar later werd haar te verstaan gegeven dat ze kosteres mocht blijven maar dan moest haar zoon Marcus haar helpen met het werk.

    de kosteres

    Deze zei eerst daarvoor niet te voelen, waarop de predikant mevrouw Smit voor het kosterschap vroeg, die een dag bedenktijd wenste, en daarna te kennen gaf dat ze de job aanvaardde. Maar toen kwam mevrouw Buss om te zeggen dat Marcus haar toch wel helpen wilde. Wat nu? Ds.Beudeker zat in een moeilijk parket. Kerkenraadslid Heinz sprak een wijs woord: "laat ze het zelf maar uitzoeken". Dat gebeurde en mevrouw Smit gunde het baantje, waar ze toch al niet gretig op gereageerd had, aan de oude dame.

    Marcus was timmerman, zoals alle Bussen, en hij had het kennelijk te druk om zijn moeder vaak bij te staan in haar kosterswerk. Een jaar later wou men van moeder en zoon af. De dominee vond dat dit niet kon na de affaire van een jaar ervoor. Dat was niet netjes naar mevrouw Smit. Alweer kwam er een Salomonsoplossing: Benjamin Buss' vrouw Wilkelina nam de taak weer op zich. Wederom reden voor de kerkenraad om meer eisen aan de kosteres te gaan stellen. Er werd nu ook verwacht dat de banken eens in de veertien dagen gestoft werden, dat de lamp in de consistoriekamer brandde bij avondvergaderingen en dat de kachel roetvrij gehouden werd. Ze kreeg wel f 5 meer dan haar schoonmoeder: f 25 per jaar verdiende ze dus. In 1892 stierf de kosteres echter op éénenveertig jarige leeftijd. Haar man nam daarna twee jaar het kosterschap op zich. Ook hij kreeg bij aantreden te maken met een verzwaring van het kosterschap. Buss moest bij winterdag de paden rond de kerk sneeuwvrij houden en de kachel wilde men nu vier(!) uur voor de dienst begon al aangemaakt hebben. Dit alles was natuurlijk wel erg veel gevraagd en Buss voldeed niet aan alle eisen. In 1894 werd hij op het matje geroepen wegens verzaking van plicht, waarop hij de eer aan zichzelf hield en ontslag aanbood. Zijn opvolgster mevrouw Geerken hield het evenmin langer dan twee jaar vol.

    Ds.Beudeker ging in 1897 met emeritaat en tijdens de vacaturetijd trad ds.Bögeholtz uit Pekela op als consulent. In die tijd bleek er tweespalt in de gemeente te bestaan tussen orthodoxen en modernen. Al eerder was gebleken dat de meerderheid meeleefde met de Hersteld Lutherse Kerk, die zwaarder in de leer was dan de Evangelisch-Lutherse Kerk waartoe de gemeente Stadskanaal behoorde. In 1887 sprak men met afschuw over het feit dat Hersteld Lutherse predikanten colloquium moesten doen voor ze in de Evangelisch-Lutherse Kerk toegelaten werden, terwijl het om mede-Lutheranen ging! 30)

    In 1897 kwam het tot een discussie in de kerkenraad. Welke signatuur wenste men bij de nieuwe predikant? De Synodale Commissie regelde de preekvoorziening in de vacante periode en stuurde zowel moderne als orthodoxe dominees langs de vacante gemeenten. Stadskanaal zou dus ook moderne voorgangers te horen krijgen, maar de kerkenraad wilde schrijven dat de Kanaalsters daar niet van gediend waren. In juni 1897 waren nog twee kerkenraadsleden van de moderne richting, één aarzelde wat. In oktober echter (misschien dankzij de orthodoxe Bögeholtz?) stond alleen Johannes Buss nog fier voor zijn vrijzinnige opvattingen. Hij vertikte het om als secretaris van de kerkenraad een brief van die strekking naar de Synodale Commissie te zenden. Brandje Brandsema verklaarde daarop dat hij de brief wel wilde tekenen als de secretaris dat niet wenste te doen. Zo geschiedde. Buss nam dit niet. Hij vertegenwoordigde evenzeer een groep gelovigen in de gemeente. Ook hij klom in de pen en hij stuurde een pittige brief naar de Synodale Commissie, die prompt met een visitatiedelegatie naar het kanaal afreisde. Kritisch bekeek men het notulenboek. Allerlei interne verkiezingen keurden de heren af. Opnieuw moesten een voorzitter, secretaris en kerkrentmeester gekozen worden. Zelfs de keuze van de consulent had niet volgens de regels plaatsgevonden. Bögeholtz suste: er was geen drijverij in de gemeente. Dit was alles best op te lossen. Inderdaad, bij de herstemming werd ds. Bögeholtz eenstemmig opnieuw tot eerste consulent verkozen.

    Gezien deze stemming in de kerkenraad verbaast het niet dat ds.Scharten de nieuwe predikant van Stadskanaal werd. Hij was proponent bij de Hersteld Luthersen. Ds.Th.Scharten bleef negen jaar in Stadskanaal en hij was heel wat zwaarder op de hand dan al zijn voorgangers, getuige het notulenboek. Waar andere predikanten de vergadering hooguit met gebed begonnen en besloten, voerde Scharten in dat de kerkenraad eerst samen een gezang zong, daarna ging hij voor in gebed, vervolgens las hij een Bijbelgedeelte, wat hij kort uitlegde en dan startte de vergadering, die hij besloot met enige stichtelijke woorden en een gebed 31).

    Met regelmaat hield hij zijn broeders voor dat hij samen met hen het kerkbestuur vormde en dat er een voorbeeldfunctie voor de kerkenraadsleden was weggelegd. Alleen als ze zich dat altijd realiseerden waren ze in staat hun zegenrijke werk te doen. Toen een der kerkenraadsleden zich eens ergens dronken had vertoond was de wereld te klein voor de verontwaardiging van de dominee. De bewuste broeder kwam één keer niet ter vergadering, maar de volgende kerkenraadsvergadering was hij weer present. Op alle boze en vrome woorden van de dominee en de mede-kerkenraadsleden zei hij geen woord. Hij toonde geen berouw en vroeg dus geen vergiffenis. Op een gegeven moment had iedereen het zijne gezegd en daar bleef het bij. De man die van een slokje hield bleef gewoon lid van het kerkbestuur.

    Een drijver was ds.Scharten dus niet echt, al weigerde hij het huwelijk van jongelui die deze levensstaat niet "rein" begonnen kerkelijk te bevestigen. Over een Luthers dooplid dat ongehuwd met een dooplid van de Hervormde kerk samenwoonde en drie kinderen bij die man had, zei ds. Scharten: "Dit strekt tot schande aan de gemeente, moet den kerkeraad zwaar op het hart wegen. God alleen kan deze menschen bekeeren"32). Ds.Scharten werkte hard in Stadskanaal. Eigenlijk is er in de 19e eeuw geen dominee geweest die zo georganiseerd, planmatig aan gemeenteopbouw werkte. Zo introduceerde hij een huishoudelijk reglement. De zondagsschool die ds.Fetter met de Hervormden opgezet had was een stille dood gestorven. Scharten richtte in 1899 een Lutherse zondagsschool op en dat werd een succes. Er kwamen 37 kinderen. De leiders waren J.Hinema en de negentienjarige catechisante Evadiena Boekhoud. Het zondagsschoolkerstfeest - nog altijd een jaarlijks hoogtepunt in het gemeenteleven - werd door ds.Scharten geïntroduceerd op de avond van de Tweede Kerstdag van 1899. De ochtenddienst, die toen nog op 26 december werd gehouden, verviel voor dit feest. Er bestond grote belangstelling voor.
    "De predikant zal zóó veel programma's in de gemeente verspreiden als er zitplaatsen zijn. Zóó zal de geheele gemeente dat zondagsschoolfeest der gemeente kunnen bijwonen en weert men den toevloed van nieuwsgierigen van buiten de gemeente"33).
    Dat klonk niet erg hartelijk, en dat terwijl deze predikant een warm voorstander was van het Nederlands Luthers Genootschap voor In- en Uitwendige Zending. Hij richtte een afdeling van dit genootschap op in Stadskanaal en hij betoonde zich zeer verheugd toen hij in 1898 de Staat van de Kerk opmaakte: er waren vijftien zielen vanuit andere kerken gekomen. De werving die van zo'n kerstfeest kon uitgaan onderschatte hij of hij had werkelijk te maken met een overstelpende toevloed van belangstellenden. In dat geval zou hij natuurlijk gemopper krijgen als niet-leden toegang kregen en de eigen leden er niet meer in konden.

    Een voorbeeld van een orgelconcert voor het verwerven van fondsen.


    Het nieuwe orgel

    In 1900 bestond de kerk vijfentwintig jaar. Dat was reden voor feest uiteraard. Een jaar tevoren was er een "Franse seraphine orgel" aangeschaft, dat het oude orgel van ds.Fetter verving. Dat was totaal onbruikbaar geworden, wat misschien te wijten was aan de organist. Ds.Scharten vond dat de man beroerd speelde "..waardoor het gemeentegezang soms zeer treurig is te noemen"34). Ondanks deze handicap werd met het nieuwe orgel op Hervormingsdag 1900 het vijfentwintigjarig jubileumfeest luisterrijk gevierd. Er kwam een tweestemmig koor en een familielid van de predikant dichtte een feestlied voor de gelegenheid. De Lutherse buurgemeenten waren te gast, evenals burgemeester en wethouders. Een -gehuurde- vlag wapperde vrolijk boven de binnengaande kerkgangers. De kerk was versierd en men zong van een gedrukte liturgie.

    Het voorblad van het boekje met de gedachtenisrede.

    In de roes van de voorbereiding van dit grootse feest wilde broeder Brandsema alle leden een Nieuwe Testament cadeau doen. Voorwaar, een mooie gedachte maar het was te duur. Wel kwamen er op zijn verzoek grotere gezangborden, waarop de vier gezangen, die in de dienst weerklonken, alsmede de te lezen Bijbelteksten aangekondigd konden worden.

    Ds.Scharten voelde zich niet te groot om zelf de vrijwillige bijdragen te gaan innen. Ook hij dacht dat er meer binnenkwam als de dominee bij de mensen langs ging.
    In Schartens tijd werd meer inhoudelijk gediscussieerd in de kerkenraad. De broeders waren daarbij soms behoudender dan de zware dominee. Hij stelde voor om een man van het Zendingsgenootschap te laten komen om in de kerk lichtbeelden over de zending te laten zien, de kerkenraad vond dat niet passend in een kerkgebouw. Het was werkelijk een wonder dat ze de versiering van de kerk op 31 oktober 1900 goedkeurden.

    De Rotterdamse kerkenraad wenste meer invloed van de gemeenteleden bij het kiezen van een dominee. In de 19e eeuw hadden bij gemeentevergaderingen die voor een predikantsberoeping gehouden werden - in Stadskanaal althans- zittende en oud-kerkenraadsleden elk twee stemmen, tegen één stem voor iedere man die minstens 23 jaar was, een jaar eerder of langer geleden openbaar belijdenis van zijn geloof had afgelegd en zijn kerkgeld betaald had. Voor het systeem dat gewone leden en kerkenraadsleden allemaal één stem kregen, was de kerkenraad beducht. Het zou maar ruzie geven. Scharten vond dat onzin. Hij achtte een "gezonden strijd voor en tegen de waarheid" wel heilzaam 35).

    Dat het adres van vrouwelijke leden van de Evangelisch- Lutherse Gemeente Doesburg, die vrouwenkiesrecht in de kerk wensten, voor kennisgeving werd aangenomen door deze kerkenraad behoeft geen nadere uitleg.

    Toen Scharten voor een preekbeurt op een vrije zondag naar de Hersteld Lutherse gemeente van Amsterdam reisde, regelde hij dat zijn Hervormde collega op die zondag in de Lutherse kerk kwam preken. "Sommige leden zijn hier beslist tegen", zegt het notulenboek, maar ze gingen door de knieën voor het argument dat geen verkondiging van het Woord erger was dan een dienst onder leiding van een Hervormde dominee 36). De dagen van de oecumenische Fetter waren lang vervlogen! Natuurlijk botste het regelmatig tussen ds.Scharten en J.Buss. Ds.Scharten drong er bij de kerkenraad op aan dat ze moesten zorgen dat in de Synode geen modernen kwamen (synode-leden werden toen nog door kerkenraden gekozen) Zo'n opmerking leidde prompt tot een dispuut tussen de predikant en Buss. In oktober 1901 echter legde Buss het hoofd in de schoot. De kerkenraad had op 10 december 1899 het ondemocratische besluit genomen dat vrijzinnige leden geen kandidaat gesteld zouden worden bij kerkenraadsverkiezingen. Buss, in oktober 1901 recht op de man af gevraagd of hij nog steeds modern van hart was, zei dat hij nu orthodox en dus herkiesbaar was. Het moet een mooi moment voor ds.Scharten geweest zijn. Ds.Scharten woonde in de pastorie. Voor zijn komst werden de put en de pomp in de keuken gerestaureerd. Ook het dak werd gerepareerd. Voor de dominee werd stukje bij beetje het huis geverfd en in 1899 werd, vlak voor de bruiloft van Scharten, het privaat veranderd. In de pastorie werd nu het zogenaamde tonnenstelsel ingevoerd. Over het rioolsysteem van voor die tijd moeten we maar niet nadenken. Dat hij bij zijn huwelijk van een familielid f 300 kreeg om de pastorie op te knappen wijst er waarschijnlijk op dat de woon-omstandigheden in de pastorie bijzonder sober waren. Scharten klaagde echter nooit.

    Waar hij energie in stak was de verbouw van de leerkamer, die te klein geworden was. Scharten koesterde namelijk de Lutherse jeugd. In oktober 1898 had hij achtenvijftig catechisanten waarvan er slechts tien met enige regelmaat verstek lieten gaan, waarvan vijf met goede redenen. Ze woonden te ver weg of ze waren absent in verband met werk en het vervullen van de militaire dienst, of, en dat gebeurde in de winter vaak, doordat de wegen naar de kerk onbegaanbaar waren.

    Ds.Scharten introduceerde in Stadskanaal jeugdwerk in kerkelijk verband. In december 1899 richtte hij een vereniging voor meisjes op. Van de meisjes werd verwacht dat ze nuttig bezig waren tijdens hun bijeenkomsten. Ze naaiden voor de minder bedeelde huisgezinnen in de gemeente. Uit de diaconiekas kreeg de club f 5 om stof en garen te kopen.

    In november 1900 volgde de oprichting van de Jongelieden Vereniging Petrus, waarvan bij de start zeven jongens lid werden. Ze kregen de helft van de kast in de leerkamer voor het opbouwen van een bibliotheek 37). Ook de afdeling van het Genootschap voor In- en Uitwendige Zending en de zondagsschool maakten van de consistoriekamer gebruik. Deze ruimte was twaalf vierkante meter groot, ds.Scharten wilde de oppervlakte verdubbelen. Diaken en timmerman J.Buss zou de klus klaren voor f 430. Hij was de laagste inschrijver bij de openbare aanbesteding, die buiten zijn aanwezigheid door de andere kerkenraadsleden was georganiseerd, dat gaf de waarborg van eerlijkheid.

    Inmiddels zijn we over de grens van de nieuwe eeuw heen, maar het verhaal gaat toch nog even verder. In 2000 bouwt de Evangelisch- Lutherse Gemeente Stadskanaal aan een nieuwe consistoriekamer en daarom eindigt dit verhaal over de 19e eeuwse Lutheranen met de uitbreiding van de leerkamer in 1901.
    Het bouwgeld was niet in kas, dus wederom startten predikant en kerkenraad een geldwervingscampagne ten behoeve van het bouwfonds. Ds.Scharten gebruikte hiervoor het nieuwe Lutherse weekblad "De Wartburg". Hij begon een rubriek "Leerkamer Stadskanaal" waarin hij de binnengekomen giften noteerde. De dominee was zo enthousiasmerend met zijn verhalen dat een juffrouw in Amsterdam halve centen en stuivers ging sparen voor de Kanaalster leerkamer. In het najaar van 1900 maakte ze f 4,68½ over naar ds.Scharten, die ontroerd was over dergelijke steun. "Ik dacht niet, dat in stilte met zóóveel liefde zoo heel in de verte voor onze "leerkamer" werd gespaard! Dat spoort mij aan en geeft moed om te blijven vragen…"38). Bij de gemeenteleden werden huisbusjes geplaatst: spaarpotjes waarin men, in navolging van de Amsterdamse juffrouw, kleingeld kon sparen voor het goede doel. De feestrede die ds. Scharten op het vijfentwintig jarig jubileum van het kerkgebouw had gehouden werd gedrukt en voor f 0,35 verkocht en dat gaf "flinke bate"39).

    Van alle kanten stroomden de giften toe. De Evangelisch-Lutherse Gemeente Pekela collecteerde en de collecte bracht maar liefst f 25 op. Dat was veel: de collecte die tijdens de jubileumviering op Hervormingsdag 1900 gehouden was had maar f 11,84 opgebracht. Ook de Lutheranen van Woerden collecteerden voor Stadskanaal. Particulieren uit Tiel, Amsterdam, Deventer, Gouda en Leiden (een Leidse mevrouw gaf f 100) stortten geld.

    In zijn laatste bedelartikeltje op 28 januari 1901 werden ds. Schartens hartenkreten ten behoeve van het bouwfonds haast gênant, al had hij het ook moeilijk: maar 52 leden betaalden en slechts vijf leden betaalden meer dan f 1,50 per jaar aan de kerk. Mej. Schmeertman betaalde met een jaarbijdrage van f 10 het meest. Ds.Scharten smeekte de Lutheranen in het land om de laatste f 50 die nog opgebracht moesten worden, voor Stadskanaal bijeen te brengen. Ds.P.Groote van de redactie werd het kennelijk een beetje beu. Hij schreef: "Als nu eens vijftig lezers van de "Wartburg" ieder één gulden zenden, dan is de wensch van Stadskanaal vervuld. De vrienden schijnen het daar wel waardig te zijn, dat men hen helpe. De eerste gulden wordt heden verzonden. Wie helpt verder?"40)

    In september 1901 was het zover: de leerkamer was af. Een intens dankbare W.F. Boekhoud schreef op 1 september 1901 in "De Wartburg": "Heden was het voor onze gemeente een heugelijke dag. Onze nieuwe, vergroote "leerkamer" werd voor het eerst in gebruik genomen. Door den kerkeraad werden de gemeente en belangstellenden na afloop van de godsdienstoefening in de gelegenheid gesteld de kerkekamer, thans een sieraad der gemeente, te bezichtigen. Velen maakten daarvan gebruik. Des namiddags om 4 uur had er de eerste vergadering plaats van al degenen die gewoon zijn in het lokaal te vergaderen, door den predikant, als hoofd van alle samenkomsten, bijeen geroepen: Kerkeraad, Afd. Luth. Gen., Meisjesvereeniging, Zondagsschoolpersoneel, houdsters van driemaandkaarten, ook de oudste catechisanten, een veertigtal personen. Na de opening sprak de voorzitter over I Kon.8:22-30: dat 's Heeren oogen open zijn over deze plaats des gebeds. Een paar voordrachten werden gehouden, iets over de zending gelezen, door de meisjesvereeniging eenige liederen gezongen, ook een paar duo's door twee dames en de predikant en zijne Echtgenoote. Koffie met koek werd rondgediend. Te half zeven sloot onze predikant deze samenkomst met een slotwoord over Handelingen 19:2a: de Heilige Geest moet gemeente, vereenigingsleven en leden bezielen.
    Geve de Heer ons nog menig heerlijk uur te genieten in onze leerkamer. Aan den Heer werd de dank gebracht voor Zijn groote weldaden, die Hij aan onze Gemeente heeft geschonken en nog dagelijks schenkt. Moge de Heer voortgaan onze Gemeente te zegenen, opdat zij nog voor velen ten zegen zijn kan
    "41).


    Met dezelfde wens voor de Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal in de 21e eeuw, die traditiegetrouw werkt aan een groots bouwproject, besluit ik dit verhaal over de bouwende, zingende en vierende 19e eeuwse Lutheranen.

    Stadskanaal, zomer 2000, E.P. Boon


    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      Ledenbestand 1859  
     
    BIJLAGE: LEDENBESTAND 1859

    Op basis van AELGS, 1858 Register der Evang.Luthersche gemeente te Stads-Kanaal

    Sabina Bakker-Kros o 1879
    Carel Wilhelm Barthel
    Anna Elisebeth Barthel- Lütter
    Jan Georg Wicher ten Berge
    Wed. Tamma Johanna Bolster-Hadinga
    Mw.Bongers-Scheer
    Hindrik Breit v.
    Harm Petrus Buss v 1874
    Antje Jansen Buss-Fein
    Jürgen Blünk v
    Tethsin Alberts Davids- Swarts
    Carel Döbrich v
    Carel Dietz v
    Elias Dipper v
    Christianna Dipper-Freundlich v
    Baeike Siebus Einfeld o 1869
    Clara Einfeld-Vögel o 1874
    Eimer Herken Einfeld *
    Peter Gerrits Einfeld v 1879 + terug *
    Wed.Elisebeth Einberg-Itsers v
    Caroliza Fiege v 1874
    Arent de Groot v 1871
    Trijntje Klaas Heerdt-Kros *
    Georg Nicolaus Heinz
    Johanna Christina Heinz-Scheitung o 1869
    Johan Georg Christoffel Heinz
    Anna Johanna Heinz-Benus
    August Heinz v 1875
    F.W.E.Heinz-Heinz
    Heinrich Heinz v
    Sebrich Heinz
    Augusta Sithone Heinz
    Augusta Christina Rosalie Heinz
    Emil Heemrich
    Martha Magdalena Johansen de Jongh- Haak
    Maria Kock-Fransen
    Jane Heijen Kock o 1865
    A.Kesmeijer over n. NH-kerk
    Antje Harms Kros-Saathoff
    Aagtje Kros
    Frederick Kuindert v
    Adolf Höne Krützelman (stiefzoon Theis)
    Anna Krützelman- Winkelman
    Casper Wilhelm Kaster n. Geref.kerk
    Heinrich Roelfs Klinkhamer + attestatie uit Leer, v
    Johanna Leinders
    Wilhelm Lippert v
    Georg Lippert v
    Christina Matthes-Glasern
    H.L.Meder v 1874
    Cornelia Meder-Tiege
    Karl Johan Heinrich Meder

    Fr. Müller
    Manes Müller
    Martha Klaas Müller-Lever*
    Christiaan Muller v *
    Karel Muller v
    Anton Muller
    Wilhelmina Theresia Meder*
    Maria Elisebeth Meder v 1871 *
    Samuel Nüs o 1872
    Theodora Nüs-Duis
    Christian Noack
    Louise Sofia Dorothea Nebele + attestatie uit Leer, v
    Frederik Jans Piening v 1869
    Casper Balous Pelgrim v 1869 *
    Nicolaus Geert Reurich
    Anna Margaretha Reurich-Smit
    Hendrik Runge
    Leopold Runge
    Elisebeth Runge-Schrom
    Johan Henderik Reiniking v
    Canise Rauls v
    Anget Rauls v
    Johanna Rauls v
    Aaltje Sap- Hageman
    Maria Schrümpf-Vogelsang
    Wilhelm Schrümpf naar Geref.kerk
    Elisebeth Schrümpf-Springmeyer naar Geref.kerk
    Kinderen: Wilhelm, Karl, August en Heinrich Schrümpf: ook naar Geref. Kerk
    Antje Spreen- Dost
    Georg Schatt v
    Berend Stickvort
    Alberdina Stickvort-Swart
    Henderik Steinmetz v
    Harm Geert Strobos v
    Willem Sönderwerht
    Henderik Berend Stickvoort *
    Louisa Sophia Seitz, n NH kerk 1872
    Wed.Antje Harms de Vries- Scheepers
    Johanna Thöne-Heinz
    Wilhelm Theis
    Carolina Frederika Willemina Theis-Krützelman *
    Wilhelm August Thon
    Carl Thon
    Jaaptje Thon - Sluiter
    Antje Harms- de Vries
    Simon Cornelis de Vries
    v= vertrokken,
    o = overleden,
    *=aangenomen op 07-11-1858 door ds J.P.de Meyere
    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
      Aantekeningen  
     
    AANTEKENINGEN
    1. Dr.G.Fafié, "Stadskanaal" in: Hoe het Lutherde in Nederland. De geschiedenis van de Lutherse gemeenten in Nederland, deel 1, Woerden, 1994, p. 163-168
    2. De tekst van dit boekje over de 19e eeuwse Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal is grotendeels gebaseerd op 1858 Protocol der Evang. Luth. gemeente te Stadskanaal, hetgeen zich bevindt in het Archief van de ELG Stadskanaal (AELGS)
    3. AELGS, Protocol, 17-07-1864
    4. Ib.,ib., Inleiding, p.8
    5. Ib.,ib.,ib.,ib.
    6. Ib.,ib.,ib.,ib
    7. Ib.,ib., Tussenvoegsel van ds.J.P.de Meyere, p.13
    8. Ib.,ib., 30-05-1859
    9. Ib.,ib., Tweede Paasdag 1859
    10. Ib., ib., 14-12-1875
    11. Langs het Stadskanaal- eigendom van de stad Groningen- gaf de stad Groningen grond uit in vaste percelen (hemen), waarvoor een jaarlijkse canon aan de stad betaald werd. Men noemde dit beklemde meiers, later werd er een systeem van erfpacht op deze stadsgrond ingesteld.
    12. Dit vereist nader onderzoek in de Tienjaarlijkse Volkstellingen van de gemeente Onstwedde.
    13. AELGS, Protocol, 19-04-1874
    14. Zie hiervoor: Drs.Th.A.Fafié, Hermannus Wischer (1691-1778) Luthers predikant te Sappemeer, Woerden, 1999
    15. AELGS, Protocol, 21-03-1875
    16. Informatie verstrekt door K.Kamst, bouwuitvoerder in opleiding en tekenaar van de bouwtekening voor de verbouw van de Lutherse kerk en consistorie in 2000. K. Kamst is lid van de ELG Stadskanaal.
    17. AELGS, Protocol, 13-06-1875
    18. In het veen werkten zes mannen samen. Zo'n ploeg stak ongeveer 10.000 turven per dag. Een half dagwerk bestond dus uit 5000 turven. De term blauwe turf is een kwaliteitsaanduiding. Hoe dieper gestoken werd, hoe donkerder de turf en hoe beter de kwaliteit. Informatie van drs.A.Roossien. Dhr. Roossien is als historicus werkzaam bij het Streekhistorisch Centrum te Stadskanaal. Hij is lid van de ELG Stadskanaal.
    19. De waterplaats was een eenvoudig urinoir, gemaakt van houten schotten, dat bij de kerk in de open lucht geplaatst werd. Met dit uiterst primitieve sanitair moest men het doen.
    20. J.L.J.Meiners, "Pekela" in: Hoe het Lutherde in Nederland De geschiedenis van de Lutherse gemeenten in Nederland, deel 2, Woerden, 1997, p.214,215
    21. AELGS, Protocol, 22-03-1886
    22. Het genealogisch onderzoek dat als hulpmiddel bij het schrijven van dit boekje is gebruikt werd gedaan met behulp van de volgende registers: AELGS, 1858 Register der lidmaten van de Evang. Luthersche gemeente te Stadskanaal ; 1858 De namen der doopelingen van de Evangel. Luthersche Gemeente te Stads-Kanaal en het kaartsysteem op de ledenadministratie van ongeveer 1920
    23. Drs.C.A.van der Berg en drs.E.P. Boon, De Joodse gemeenschap in de Kanaalstreek Stadskanaal, Musselkanaal, Onstwedde en Mussel, Groningen, 1992, p.239
    24. Drs.E. Schut, Geschiedenis van de Joodse gemeenschap in de Pekela's 1683-1942, deel 2. Geschiedenis van de begraafplaats en overzichten van de Joodse bevolking, Groningen,1991, p.220
    25. Zie hiervoor de roman van Thomas Rosenboom, Publieke werken, Amsterdam, 1999
    26. AELGS, Protocol, 18-12-1887
    27. Ib., ib., 10-12-1883 en 03-08-1884
    28. Ib., ib., 07-03-1887
    29. Ib., ib., 25-02-1884
    30. Een colloquium is een toelatingsgesprek dat min of meer het karakter van een examen heeft.
    31. De opening en sluiting van een kerkenraadsvergadering anno 2000 verloopt op de wijze die ds Scharten invoerde. Alleen het samen zingen in de vergadering en het stichtelijke woord op het eind zijn afgeschaft.
    32. AELGS, Protocol, 08-06-1898
    33. Ib., ib., 10-12-1899
    34. Ib., ib., 05-03-1899 en 09-10-1898
    35. Ib., ib., 13-02-1901
    36. Ib., ib., 20-10-1901
    37. Het notulenboek van "Petrus" is in het AELGS bewaard gebleven.
    38. AELGS, "De Wartburg Luthersch Weekblad", 1ste jrg., nr.41, 12-10-1900
    39. Ib., ib., 1ste jrg., nr. 52, 28-12-1900
    40. Ib., ib., 2e jrg., nrs. 16 en 26, 19-04-1901 en 28-06-1901 en ib., Boek voor de inkomsten en uitgaven van de Luth. kerk te Stadskanaal, overzicht betalende leden en hun bijdragen, 1890-1900.
    41. Ib., ib., 2e jrg., nr.37, 13-09-1901

    naar:  begin van dit artikel   of naar:   boven  of naar:   Home
     
    Webmaster Ed Donga